Barth en de oorlog: antwoord aan Karel Blei

In zijn reactie op mijn pleidooi Barths brief aan Hromadka met het oog op de huidige situatie nog eens te overwegen, reageert Karel Blei door te wijzen op een andere brief van Barth. In 1950 schrijft hij opnieuw aan een dominee over de Hromadka brief. Opvallend is, dat hij in die brief geen letter terugneemt van zijn pleidooi uit 1938. Integendeel, hij acht haar op stel en sprong actueel op het moment dat Rusland de westerse wereld de oorlog aandoet. Op die situatie dient het Westen door zich te bewapenen voor bereid te zijn. Barth steunt deze bewapening, hoewel hij voor Duitsland een uitzondering maakt. Zolang van zo’n aanval geen sprake is, dient de kerk een andere richting te wijzen. De uitdaging van het communisme dient te lijf gegaan te worden door het opkomen voor sociale gerechtigheid in de Westerse samenlevingen. Geheel en al dus in lijn met wat hij in zijn scheppingsleer schrijft. Bereid je voor op de noodsituatie, maar de prioriteit ligt bij de opbouw en het werken aan de vrede.

Het verschil tussen 1938 en 1950 zit dus vooral in zijn waardering van de situatie. In 1938 was feitelijk de oorlog al aan de gang door de agressieve politiek van Hitler-Duitsland. Dat geweld moest in de kiem gesmoord worden, omdat het de vrijheid en soevereiniteit van de andere Europese volkeren bedreigde. Zo’n situatie bestond voor Barth niet in 1950. Ook al spreekt hij kritisch over Rusland, van een vergelijkbare agressieve houding en daad was volgens hem op dat moment geen sprake.

Precies dat is het punt waarom ik de brief aan Hromadka weer in herinnering riep. De Krim is geannexeerd en in Oekraïne is actief geïnfiltreerd. Dat kan je toch echt daden van agressieve politiek noemen. Net als in 1938 is de stemming in Europa om het optreden wel af te keuren maar niet om er tegen op te treden. Er is zelfs wel enige sympathie voor, zoals dat ook voor de wens van Duitsland om Sudetenland in te lijven. In een brief aan ds Derksen schrijft Barth in 1938 daarover, dat hij begrip heeft voor deze wens. Dit eventuele onrecht mag evenwel niet opgeheven worden door geweld maar door onderhandelingen. Een militair dictaat kan en mag niet geaccepteerd worden.

Aan dit punt gaat Blei te gemakkelijk voorbij als hij stelt dat het Westen meer begrip moet tonen voor de Oosters, orthodoxe waarden. Dat zou de ontspanning dichterbij brengen. Helemaal mee eens, maar geldt dat ook nog als de daad van agressie feitelijk gepleegd is en een soeverein land aangevallen is? Wanneer houdt bij Blei het begrip op? Als de Baltische staten met hun grote Russische minderheden aan de beurt zijn?

IS

Nog scherper wordt het bij het nadenken over IS. Hier maakt Blei een naar mijn gevoel wonderlijke onderscheiding. Om menselijke redenen moet er weerstand geboden worden tegen IS, maar of dat ook in de naam van het Christelijke geloof moet gebeuren, daar zet hij een vraagteken bij. Het christelijke geloof heeft geen meerwaarde boven de menselijkheid uit, zo zegt hij. Daar begrijp ik niets van. Is het christelijke geloof nu niet bij uitstek het geloof waarin de menselijkheid geijkt wordt? Wordt die menselijkheid nu juist niet ten diepste vertrapt in de praktijk van IS? Heeft Blei enige illusie dat de kerk of beter de vrije verkondiging van het evangelie van deze menselijkheid onder IS bewind mogelijk is? Precies dat was een van de redenen waarom Barth in zijn Hromadka brief aangaf dat iedere Tsjechische soldaat ook voor de kerk streed.

Op verschillende plaatsen vergelijkt Barth het nationaal socialisme met de Islam. Hij doet dat in Eine Schweizer Stimme bijvoorbeeld in een voor Engeland geschreven stuk. Het nationaal socialisme is ‘de nieuwe Islam’(62)  Zeker, daar denken we in onze tijd een stuk genuanceerder over. Terecht! De Islam heeft vele gezichten, maar één daarvan is ook deze. Demoniseren we daarmee de moslimwereld? Ik denk het niet. Om met de oud-bondspresident Von Weizsäcker te spreken. Is het ook niet noodzakelijk dat de Islam van deze demon, van deze ideologie bevrijd wordt? Tonen we dan te weinig begrip voor onze eigen bijdrage aan het opstaan van deze demon? Daar hebben we zeker aan toe bijgedragen. Maar is dat het laatste woord als de agressie zich zo uit? Let wel, Barth had zeker begrip voor de knellende bepalingen van Versailles. Hij snapte ook dat dat in Duitsland tot veel frustratie geleid had, maar stel je voor dat dat hem weerhouden had te spreken.

Pacifisme

Blei overtuigt  mij dus niet met zijn pleidooi om in plaats van de Barth van 1938 die van 1950 als uitgangspunt te nemen. Ik zou ze beide bij onze eigen afwegingen willen betrekken. Het gaat er daarbij niet om Barth nu als onze partijgenoot te promoten, noch de Barth van Hromadka noch die van de Koude Oorlog. Beide brieven kunnen ons in ons eigen nadenken en besluiten over de situatie van nu uitdagen. Hoe lastig daarbij de brief aan Hromadka is, blijkt wel uit de reactie van Blei.

Daarmee kom ik bij het eigenlijke punt waarom ik de serie over Barth en het pacifisme schreef. Poetin en IS stellen ons opnieuw voor de vraag naar het gebruik en de rechtvaardiging van het geweld. Hoe gaan we daarmee om als kerk en als Christen? Dat is de vraag die mij bezig houdt. Barth houdt de geweldsoptie, hoe terughoudend hij daarover ook  spreekt,  nadrukkelijk en principieel open. Een ook kerkelijk gesteund gewapend optreden tegen Poetin en IS blijft dan mogelijk. Het kan zelfs geboden zijn en is het niet, Mient Jan Faber volgend, nu al geboden?

In dat debat, waarvan ik hoop dat het ook binnen de kerk gevoerd wordt, roep ik de pacifistische traditie in herinnering. Hoe werd daar gedacht en gehandeld toen het in Europa van voor WOII er om spande? Kunnen daar lessen uit geleerd worden, die ons bij onze hedendaagse besluiten kunnen uitdagen tot vernieuwing? Ik doe dat, omdat naar mijn bijbels inzicht de pacifistische inzet dichterbij Jezus staat dan de geweldsoptie. Dat betekent net zo min als bij Barths inzet een toepassen van ‘het’ pacifisme. In de concrete situatie van vandaag zal moeten blijken of en hoe deze inzet waargemaakt kan worden. Dat zal niet eenvoudig zijn, maar dat is geen reden om het te laten.

At Polhuis

(In de Waagschaal, nieuwe jaargang 44, nr. 6. 23 mei 2015)