Barths afwijzing van het pacifisme

Kort na het verdrag van München reageert Barth op de uitkomsten daarvan. Het wekt geen verbazing dat hij dat fel kritiseert. Waartoe hij opgeroepen had, was niet gebeurd. De westerse democratieën betoonden zich in ten opzichte van de eisen van Nazi Duitsland niet standvastig. Het tegendeel gebeurde.  Zij bogen voor die eisen. Daarbij werden zij gedreven door een poging de vrede te handhaven. Naïef noemt Barth dat. Door deze houding werden zij een gemakkelijke prooi voor de dictatuur van Duitsland. Voor Barth is dit verdrag een extra aansporing tot verzet tegen Duitsland en dus ook een oproep de politiek van het naïeve pacifisme te verlaten.

Hoe weinig vanzelfsprekend deze houding van Barth in zijn dagen in kerkelijke kringen was, blijkt uit zijn polemiek met de toenmalige bisschop van Gloucester. Deze had de kerk opgeroepen zich te onthouden van politieke uitspraken. Wanneer zij dat doet, kan zij in alle rust haar werk doen. Dan roept zij geen reactie van de overheid op. Zodra zij zich wel met de overheid bemoeit en tot verzet oproept, moet zij niet verbaasd zijn als zij met ‘allerlei Unannehmlichkeiten’ geconfronteerd wordt. Er is voor een dergelijk verzet geen reden. Er is immers volgens de bisschop geen serieus te nemen onderdrukking en vervolging van de kerk in Duitsland. En de Bekennende Kirche is maar een slinkend groepje in Duitsland. Er is dan ook geen enkele belemmering voor Engelse christenen met Duitsland in vrede te leven.

Of Barth in zijn weergave de bisschop recht doet, is niet na te gaan. Vreemd komt zijn opvatting  mij niet voor. Het is een houding die tot op de dag van vandaag herkenbaar is. Geen politiek in de kerk! Dat levert alleen maar spanningen op, ook al zal de kans dat de overheid ingrijpt in het kerkelijke leven in onze dagen miniem zijn. In zijn dagen was dat wel het geval. Barth noemt onder anderen de door de overheid opgelegde beperkingen om te vergaderen, de inperking van de vrijheid van drukpers, de inmenging in het kerkelijke onderwijs. Allemaal zaken, voor ons nauwelijks nog invoelbaar, waar de kerk in Duitsland ja tegen gezegd had of bij de invoering er van gezwegen had. Deze zelfde houding komt naar voren uit de weergave van de visie van de bisschop van Gloucester. Het tekent tegelijk de sfeer waarin het verdrag van München omarmd kon worden. In die atmosfeer is de positie van Barth een minderheidsstandpunt, zowel politiek als kerkelijk.

Belangrijk in ons verband is de vraag waarom en hoe Barth het politieke stellingnemen als kerkelijke opdracht onderbouwt. Waarom verzet hij zich tegen ‘die Neutralen und die Deutschen Christen’, die ja zeggen tegen de Duitse politiek en ingrijpen in de kerkelijke zaken? Waarom roept hij op tot actief kerkelijk verzet tegen het Nationaalsocialisme?

Zeker, zijn nee zeggen heeft alles te maken met de politieke afwijzing van de nationaalsocialistische dictatuur. Deze dictatuur maakt aanspraak op het lichaam en de ziel van de mens. Deze totalitaire machtsaanspraak dient weersproken te worden. Deze totalitaire aansprak kan niet anders dan weersproken worden door met name Christenen. De onrust die door dit weerspreken veroorzaakt wordt, kan niet voorkomen worden. Christenen worden immers door een andere aanspraak geheel en al in beslag genomen. In een totalitaire staat kan het niet anders dan dat mensen die onder het beslag van het eerste gebod leven tot verzet komen. Dan is het opkomen voor de vrijheid en soevereiniteit van het evangelie en voor het opkomen van de vrijheid van de kerk om haar eigen leven in te richten altijd een daad van verzet. Het nee-zeggen tegen de nationaalsocialistische dictatuur is een direct gevolg van het ‘grosse göttliche Ja des ersten Gebotes’.  Neutraliteit en ja-zeggen tegen dit regiem is voor een Christen onmogelijk. Vandaar ook zijn negatieve waardering van het verdrag van München. Daar werd toegegeven aan de eisen van dit totalitaire regime. München kan dan ook door de kerk, volgens Barth, onmogelijk gesteund worden. Verzet is geboden, ook als dat gewapend moet. De kerk kan haar steun daaraan niet ontzeggen omdat zij pacifistisch wil zijn. Het pacifisme is voor hem niet alleen politiek naïef en in zijn situatie een hindernis voor op dat moment geboden kerkelijk verzet. Een onvoorwaardelijk pacifisme is theologisch gezien voor hem onmogelijk. Vooral om dit laatste gaat het mij. Het geloof in Jezus Christus leidt niet tot pacifisme, maar laat de ruimte om geweld te gebruiken open.

In twee brieven aan leden van de pacifistische vereniging Kerk en Vrede zet hij zijn visie uit een. In deze brieven wordt hij aangesproken op zijn uitspraak in de brief aan Hromadka over de Tsjechische soldaat die ook voor de kerk strijdt. In zijn verweer neemt hij het op voor de vrijheid van de evangelie verkondiging. Dat is de kerk van zijn betoog. Niets of niemand kan of mag van te voren de uitleg van de Schrift en dus de verkondiging bepalen. De verkondiging kan en mag uitsluitend en alleen door het Woord Gods, zoals dat in de bijbel naar ons toekomt, bepaald worden.

Omwille van deze vrijheid is de strijd tegen de dictatuur geboden., In de dictatuur van die dagen, het nationaalsocialisme, wordt die vrijheid ten principale aangetast. Aanpassen aan de dictatuur betekent dat de verkondiging ‘his masters voice’ wordt, waarbij de ‘master’ in dit geval Hitler en niet Jezus is. Het evangelie wordt dan irrelevant en instrument van onderdrukking.

Ook in onze dagen is het zeker interessant deze vraag nog eens te doordenken. Schijnbaar is er in onze dagen vrijheid van evangelie verkondiging. Er is geenenkele, zoals ten tijde van Barth, beperking van overheidswege. Is daarmee het laatste woord over de vrijheid van de evangelieverkondiging in onze dagen gezegd? Ik aarzel. Hoe bepalend is de sociaal economische context van onze dagen? Is het niet zo dat onze prediking past binnen de heersende normen en waarden? Barth noemt de prediking die zich aan de dictatuur aanpast irrelevant. Wordt daarmee ook niet een oordeel over de prediking van onze dagen geveld? Het zijn vragen die door Barths felle pleidooi opgeroepen worden.

Terug naar de situatie waarin Barth schreef. Alles dient er op gericht te zijn om de dictatuur die de vrijheid van het evangelie inperkt, te voorkomen. Als dat niet lukt, moet de kerk haar dulden, maar willen nooit. Er zich bij neerleggen en de situatie aanvaarden zoals die is, als de door God gegeven overheid, past de kerk niet. Wanneer dat gebeurt, wordt zij, zoals we al aangaven, irrelevant.

Elke mogelijkheid die er is om de dictatuur te voorkomen of te bestrijden moet aangegrepen worden. Dat is de strijd om de ‘rechte staat’. Dat is de staat die op recht en vrijheid gegrond is. Het kan nodig zijn die strijd gewapend te voeren. Omwille van haar eigen zaak, de vrije verkondiging van het evangelie, dient de kerk dan die strijd te steunen. Er is dan iets sterker dan onze angst om te sterven, dat is het ja-zeggen tegen de antichrist. Juist omwille van het evangelie, kan die steun voor de gewapende strijd, in die concrete situatie omwille van de vrede noodzakelijk zijn.

Daarbij dient bedacht te worden, dat Barth vrede op een bepaalde manier invult. Vrede is voor hem niet de situatie waarin geen geweld gebruik wordt. Vrede is de situatie waarin het recht gediend wordt. Om die vrede moet gestreden worden, desnoods met geweld.

Deze mogelijkheid om geweld te gebruiken is voor Barth geen principiële kwestie. In elke situatie moet opnieuw door de kerk, luisterend naar Gods Woord, geformuleerd worden wat onder de vrede verstaan wordt en of er geweld gebruik mag en moet worden. Wat de situatie van zijn dagen betreft is zijn antwoord een ondubbelzinnig ‘ja’.

Tegen deze achtergrond is zijn afwijzing van het pacifisme inzichtelijk. Voor hem is het pacifisme te weinig specifiek in de definiëring van vrede. Het is te algemeen waardoor het als een van te voren vaststaand principe gaat functioneren. In geen enkele situatie is het gebruik van geweld toegestaan. Dat staat haaks op de inzet van Barth. Telkens opnieuw dient vanuit het evangelie opnieuw verstaan te worden wat in de concrete situatie onder vrede verstaan moet worden.

Wie zonder meer uitgaat van het pacifisme beknot de vrijheid van het Woord Gods. In zekere zin gaat het dan opnieuw om precies het zelfde als in zijn verzet tegen het nationaalsocialisme. Er is niets dat de vrijheid van de verkondiging van het evangelie mag inperken. Dat betekent op politiek terrein strijd tegen het nationaalsocialisme en op het theologisch-kerkelijk terrein strijd tegen het pacifisme.

Vasthoudend aan het principe van het pacifisme kan opnieuw met de kerk en het evangelie gebeuren wat ook met hen in een dictatuur gebeurt. Dan worden het evangelie en de kerk irrelevant en voorwerp van spot. Concreet dan heeft de kerk in de concrete situatie niets meer te zeggen en biedt zij aan de anti-machten geen verweer.

We verstaan Barth verkeerd als we zijn positiebepaling van zijn dagen zonder meer toepassen op onze situatie. Dan doen we precies waartegen hij zich verzet. Dan schuiven we zijn visie van toen voor het verstaan van het Woord Gods in onze dagen. Het is heel goed mogelijk dat in de situatie van nu de dienst aan de rechtstaat en de rechtvaardige vrede het gebruik van geweld niet rechtvaardigt. We verstaan Barth op de juiste wijze als we die vraag zonder vooraf ingenomen standpunten proberen te beantwoorden.

(In de Waagschaal, nieuwe jaargang 44, nr. 2. 31 januari 2015)