Bent u degene die komen zou?

 

Bent u degene die komen zou (Mat. 11:3)

Waar Jezus verschijnt, roept dat vragen op. Dat is zo bij ons, maar ook al tijdens Zijn leven. Johannes stelt Hem deze vraag. Nota bene Johannes, die zich zelf niet goed genoeg achtte om Zijn sandalen te dragen. Als er iemand is, die moet weten dat Jezus degene is die wij verwachten, dan is hij het toch wel? Door van Hem te verkondigen is hij in aanvaring gekomen met Herodes. Hij is gevangen genomen. Daar hoort hij over het optreden van Jezus en dan slaat de twijfel toe. De tijd verstrijkt, maar er verandert niets. Heeft hij het bij het rechte eind gehad?

 

Op zijn vraag geeft Jezus een indirect antwoord. Het had voor de hand gelegen dat Hij de vraag volmondig met ja beantwoord had. Ja, ik ben degene die komen zou. Jullie hebben geen ander te verwachten dan mij. Dat was duidelijk geweest. Jezus antwoordt indirect. Hij verwijst naar Jesaja. Hij noemt de tekenen die op de komst van de Heer duiden. Die tekenen zijn te horen en te zien. Verrassend is dat, want is de oorzaak van Johannes aarzeling nu juist niet dat hij niets hoort en ziet?

Langzaam maar zeker komen wij het verhaal binnen. Wij zijn Johannes niet, maar horen Jezus wel samen met de hoorders van die dagen hem dit antwoord geven. Ook wij horen van Jezus. Wij vieren Zijn komst met Kerst. Hij is de beloofde Messias. Heden is u de Redder geboren, Zoon des Mensen, Vredevorst. Hij is het die we verwachten. Hij is het die komen zou. Reden tot grote vreugde.

Vroeg of laat bekruipt ons ook het gevoel of we het wel bij het rechte eind hebben. Velen zijn intussen op zoek gegaan naar een ander. Niet zo vreemd is dat. Na Kerst gaat alles in de wereld onverminderd door. Vergissen wij ons niet als we Hem als de Messias belijden? Zijn we niet misleid door de profeten, die als het er op aankomt, zelf ook twijfelen? Hoe zeker is het dat Hij het is die we verwachten?

In het gesprek dat Jezus met de hoorders voert, gaat hij op deze vragen in. Ook dat antwoord is indirect. Hij zegt niet: ‘ik ben degene die jullie verwachten’. Hij verwijst ons naar Johannes. Ja, precies naar Johannes, die twijfelde aan zijn eigen profetie. Jezus wijst hem niet af, maar bevestigt hier nadrukkelijk zijn profeet zijn. Wie wil weten of Jezus de verwachte is, kan niet om de profeten heen. Om welke verwachting het gaat, over wie naar ons toe komt, spreken de profeten en zij alleen. In de profetieën wordt gezien dat God zelf zich het lot van de mens aantrekt. Buiten de profetieën om zien en horen we dat niet. Het bijzondere van Jezus wordt alleen gezien als we via de profeten tot Hem komen. De profeten openen ons de ogen. In Jezus is God aan het werk. In Jezus wordt de mens openbaar die God op het oog heeft. In Jezus licht Zijn Koninkrijk op.

Daarom is diegene gelukkig die geen aanstoot aan Hem neemt. Met ons natuurlijk menselijk oog zien we niets bijzonders aan Hem. Dan kunnen we ons alleen maar ergeren over zoveel pretenties. Als we zo naar Jezus kijken, verdwijnt de vreugde en komen de vragen. Vreugde is er als we de profetieën in ons gehoor hebben. Dan zien en horen we dat Hij degene is die we verwachten.

Met de indirecte antwoorden nodigt Jezus ons uit om deze vreugde zelf te ontdekken. De vreugde dat in Hem God zelf in ons midden is. Met Hem begint Zijn Rijk waarvan de tekenen spreken. Zo af en toe zien we in de harde onverlichte werkelijkheid er iets van. Dat is niet doorslaggevend voor ons geloof. Door de feiten laten we ons niet uit het veld slaan. Daarvoor behoeden ons de profeten. Van hen leren wij dat Hij degene is die komen zou en die we te verwachten hebben. Daar aan herinnert Hij Johannes en de hoorders, inclusief ons. Wie dat ontdekt, kan voluit Kerstfeest vieren.

At Polhuis

(In de Waagschaal, nieuwe jaargang 42, nr.12. 7 december 2013)