Commentaar (Bidden)

In 1962 gaf Karl Barth een bundeltje met gebeden uit. Buskes vertaalde het in 1976 in het Nederlands. Barth bad, zo luidt de eerste zin van zijn inleiding, eenvoudig. Dat was de eenvoud van de man, ‘die dertien dikke delen Dogmatiek’ had geschreven. Eenvoudig bidden is dus niet eenvoudig. Het lijkt mij een les die we steeds weer te leren hebben. Hardnekkig is het misverstand dat een vrij gebed een uitdrukking van de Geest is. Ik heb er nooit in geloofd. Bij zeer weinigen werkt de Geest op die manier. Barth doelt daar in zijn eigen inleiding ook op. Aan het improviserend bidden heeft hij zich nooit gewaagd. Hij legde ze woordelijk vast. Dat hoort bij een verantwoorde voorbereiding van een dienst. Daarbij hoort een vast stramien. Ik laat in een citaat Barth graag zelf aan het woord.

 

“Ik liet mij leiden door de volgende overwegingen: De kerkdienst, als middelpunt van het hele leven van de gemeente, moet worden opgebouwd als één geheel, en wel als een geheel dat de genadige God aanroept. Hij begint, na de begroeting van de gemeente als volk Gods, met een lied (dat we, volgens mij, niet ernstig genoeg kunnen nemen en waaraan we wel alle aandacht moeten besteden.) Daarna spreekt de gemeente haar dank en haar berouw uit en bidt om Gods aanwezigheid en bijstand in deze speciale aangelegenheid: haar bijeenzijn voor deze dienst. Zij doet dit bij monde van een lid der gemeente die voorgaat. Het hoogtepunt is de preek, waarbij  de aanroeping overgaat in toespraak en verkondiging door de uitleg en toepassing van een (liever kort dan lang) woord uit de Schrift. Tenslotte komt het slotgebed. Daarin moet de boodschap van de preek kort en bondig worden samengevat (nu weer in een directe aanroeping tot God). Maar hier moet de dienst vooral opengaan naar buiten, naar alle andere mensen. Het moet een zo uitgebreid mogelijke voorbede zijn (wordt dit niet al te dikwijls verwaarloosd?). In een tweede gezamenlijk lied eigent de verzamelde gemeente zich dit slotgebed toe. Dan wordt ze heengezonden met het schenken van de zegen door het gemeentelid die de dienst heeft voorgegaan: ‘De Heer zegene u…!’ (niet ons!).’

Daaraan voegt hij nog één opmerking toe, die raakt. Gebeden en preek moeten gekenmerkt worden door ‘kortheid, die wars is van alle geestelijke en theologische breedsprakigheid’. Daarmee lijkt mij alles wel gezegd.

Ter afsluiting van een nummer over het bidden een willekeurig fragment van één van zijn gebeden.

‘Heer, onze God! Gij zijt groot, hoog en heilig, ver verheven boven ons en alle mensen. En juist hierin zijt Gij zo groot, dat Ge ons niet hebt willen vergeten, verlaten en verwerpen, niettegenstaande alles wat tegen ons pleit. Gij hebt in uw beminde Zoon, Jezus Christus onze Heer, ons niet minder geschonken dan Uzelf en al wat het uwe is. Wij danken U, dat wij aan de tafel van uw genade uw gasten mogen zijn, ons leven lang en in eeuwigheid.’

AP

(De gebeden zijn te vinden op

www.karlbarth.nl)

 

(In de Waagschaal , 42e nieuwe jaargang nr. 7. 22 juni 2013)