Commentaar (Artikel 23)

Als jongetje liep ik de jaren 50 van de vorige eeuw in Amsterdam-West naar school. Op de weg daarheen zag ik voor de ramen van verschillende benedenhuizen een kleine poster, hoewel we dat woord toen nog niet kenden. Op die poster een gestyleerd jongens- en meisjesgezicht, blond en blank, met daaronder een tekst die mij bij gebleven is. Ongedeeld naar de openbare school. Ik herinner mij die tekst omdat ik die tekst toen raadselachtig vond. Ik had geen idee wat er mee bedoeld werd. De school waar ik naar toeging, was een openbare school. Daar was bewust voor gekozen. Na drie jaar moest ik er af. Ik kwam toen terecht op een christelijke lagere school. Ik kan niet zeggen dat in mijn herinnering een groot verschil tussen de scholen bij gebleven is. Meer dan dat ik op ene school blokletters leerde en op de andere aan elkaar moest schrijven. Met mijn handschrift is het sindsdien niet meer goed gekomen.

Later begreep ik dat de poster te maken had met de schoolstrijd. In onze dagen klinkt de oproep van de poster van toen opnieuw: ongedeeld naar school. Aanleiding nu is de ongerustheid over een mogelijke segregatie van allochtonen. Is het niet beter dat kinderen van meet af aan met elkaar opgroeien en met elkaar in contact komen. Die argumenten speelden ook in 1950 al een rol. In de politiek klinkt de oproep om artikel 23 aan te passen. Het is een heftig debat, waarin heel wat op het spel staat. Opvallend vind ik het dat de kerk in dit debat nauwelijks hoorbaar is.

Er zijn verschillende argumenten op grond waarvan de kerk kan instemmen met wijziging van artikel 23. Bijzonder onderwijs blijft gegarandeerd, maar wordt niet meer uit publieke middelen betaald. Een dergelijke uitspraak van de kerk zou een welkome verrassing zijn in het debat van onze dagen.

Als ervaringsdeskundige kan ik zeggen dat ik weinig verschil in onderwijs op de beide lagere scholen ervaren heb. Dat was toen al zo en is in onze dagen alleen nog maar meer vervaagd. Als ik kijk naar de basisscholen in de wijk waar ik werk, zie ik voor een groot deel zwarte scholen. Met Kerst en Pasen wordt rekening gehouden met de vele islamitische leerlingen. Respect voor elkaar is vaak het enige dat de christelijke identiteit nog weergeeft. Openbare scholen zullen niet anders zeggen.

Wat belangrijker is. Het artikel 23 is toch nooit bedoeld om groepen in onze samenleving de ruimte te geven zich van de samenleving af te keren. De argumenten van hen die stellen, dat dat onder het mom van het betreffende artikel wel gebeurt, moeten serieus genomen worden.

Het argument om christelijke scholen te hebben, is in de loop der tijd van binnen uitgehold. Een andere sfeer is misschien het enige dat nog onderscheid aangeeft met openbare scholen. Dat lijkt mij toch te weinig om artikel 23 in de bestaande vorm te handhaven. Daarom kerk, spreek en meng u in het debat!

AP

In de Waagschaal, 35e jaargang. 2006, 1