Commentaar (het WRR-rapport)

Na de aanslagen van 11 september 2001 richtte Sylvain Ephimenco zich in een Open Brief tot de Moslims in Nederland. Die brief was een trendbreuk. Tot op dat moment werd er niet of nauwelijks met de Moslims in Nederland gesproken. Er waren wel contacten. Er was ook belangstelling. Sommigen waren oprecht geïnteresseerd in deze nieuwkomers in de Nederlandse samenleving. Nieuw in zijn brief was dat zij voor het eerst als Moslims aangesproken werden en wat nog belangrijker was, zij werden in de brief kritisch op hun verantwoordelijkheid aangesproken. ‘Als je met elkaar vredig samenleeft moet je elkaars standpunten en gedrag ter discussie kunnen stellen’, schrijft hij. Ephimenco spreekt hen dan vooral aan op het zwijgen over de in de naam van de Islam gepleegde aanslagen. Het is de verantwoordelijkheid van Moslims in naam van de in hun ogen vreedzame Islam de strijd aan te binden met hen die zich voor hun gruweldaden op dezelfde Islam beroepen. Hier past niet meer de oude reflex om de schuld daarvoor te zoeken bij de ander, de westerse maatschappij. Moslims zijn geen slachtoffer, maar verantwoordelijke deelnemers aan onze samenleving.

Deze brief kwam opnieuw in mijn herinnering bij de lancering van het nieuwste rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Nog voor het rapport openbaar is, opent één van de onderzoekers de aanval op Ephimenco en anderen. Hen wordt stemmingmakerij verweten. Terstond vallen de vertegenwoordigers van de zich links noemende partijen de onderzoekers bij. De voorlieden van de ‘rechtse’ partijen nemen het voor Ephimenco en de eveneens aangesproken Hirsi Ali op. Ik ben daar niet gelukkig mee en neem het de onderzoekers van de WRR kwalijk dat zij zich voor een dergelijke polarisatie hebben laten gebruiken. Daarmee hebben zij hun rapport, het gesprek over de Islam en de integratie van Moslims in de Nederlandse samenleving geen dienst bewezen.

Zeker er zijn nuanceringen aan te brengen in het kritische debat dat Ephimenco wil. Zeker, niet alle moslims zijn in principe een bedreiging. Nuanceringen die hij zelf in zijn Open Brief ook al aanbrengt. Dat alles neemt niet weg dat zo’n debat in de Nederlandse samenleving gevoerd moet worden. Nog altijd gevoerd moet worden, omdat dat broodnodige debat sinds de Open Brief nog maar nauwelijks van de grond gekomen is. Dat publieke debat wordt door de wijze van presentatie en de daarop gevolgde politieke polarisatie ernstig bemoeilijkt, zo niet onmogelijk gemaakt. Dat laatste dreigt te gebeuren als de huidige politieke krachtsverhouding volgend jaar werkelijkheid wordt.

Na het verkiezingsdebacle van 2003 koos de PvdA voor een koers van vernieuwing. De lessen uit de nederlaag moesten geleerd worden. De laatstgehouden verkiezingen lijken het gelijk van deze strategie te bewijzen. De PvdA is weer helemaal terug. Ook onder allochtone kiezers is de aantrekkingskracht groot. Uit de reactie van de partij op het WRR-rapport blijkt evenwel dat de oude reflexen nog altijd aanwezig zijn: minderheden moeten niet aangesproken maar gekoesterd worden. Electoraal kan dat aantrekkelijk zijn, maar de grote kans, die met name de PvdA op werkelijke vernieuwing heeft, wordt dan niet benut. Het is te daarom te hopen dat in het komende verkiezings- en regeringsprogramma het WRR-rapport, maar ook de Open Brief van Ephimenco doorklinkt.

AP

In de Waagschaal, nieuwe jaargang 35, nr. 7, 20 mei 2006