Commentaar (Iets gemeenschappelijks?)

Half mei sprak minister Rouvoet de door Trouw georganiseerde Groen van Prinsterenlezing uit. We leven dan in de aanloop naar de verkiezingen voor het Europese Parlement. Het kan niet uitblijven. Net als vele andere politici gebruikt hij de lezing mede om Wilders en in het verlengde de VVD er van langs te geven. Veel heeft de gezamenlijke aanval op Wilders overigens niet geholpen. In zijn lezing geeft Rouvoet, onbewust daarvan, daarvoor een verklaring.

De strekking van zijn betoog is mij sympathiek. Hij wil minderheden een wezenlijk belang geven bij een rechtsstaat, die hun vrijheden beschermt. Met dit voorstel zet hij zich af tegen de idee van een neutrale overheid, die als hoofdtaak het samenleven van individuen regelt. Aan die neutrale overheid dienen de individuen zich te conformeren. Burgers worden dus aangesproken als individuen. Hun godsdienst speelt daarbij geen rol. Rouvoet ontkent de verschillen niet, maar in zijn visie, mag en kan ieder vanuit zijn eigen achtergrond, religieus of niet, meedoen in de rechtstaat, wordt daartoe uitgenodigd. De rechtstaat dient er daarom op toe te zien dat elke minderheid gerespecteerd wordt. De staat is dus meer dan een politieagent, verkeersregelaar.

Rouvoet ontwikkelt zijn visie omdat hij een crisis in de res publica bespeurt. Er is, zo stelt hij, ´een gestage erosie van het besef dat er een publieke zaak is, dat wij in Nederland iets gemeenschappelijks met elkaar hebben.´ Met deze zin slaat hij de spijker op zijn kop. Je hoeft maar een paar dagen door wijken van Rotterdam te lopen en je onderschrijft deze stelling. Minderheden leven in hun eigen wereld. Raakvlakken met elkaar zijn er niet of nauwelijks. Op zich hoeft dat niet erg te zijn. Dat was in de hoogtijdagen van onze zuilenmaatschappij niet anders. Toch is er een fundamenteel verschil met toen. Dat verschil zit in het woordje ´gemeenschappelijk´. De zuilen hadden één ding gemeenschappelijk: het deelnemen aan en het mede vormgeven van ons land. Dat moet Rouvoet voor ogen hebben gehad toen hij zijn lezing voorbereidde.

Kan je nu er zo maar van uitgaan dat minderheden in onze dagen dat ook willen? De achtergrond van de frustratie in stadswijken en veel breder in de samenleving is het gevoel dat we helemaal niet iets gemeenschappelijks hebben. Men herkent de ander niet als medebewoner van dit land, die verantwoordelijkheid voor de toekomst ervan op zich neemt. Op straat worden zij in ruwe taal aangesproken en men vermoedt dat dat het is wat in kringen van minderheden gedacht wordt. Wij worden hier de baas en dan zal alles anders worden. Jullie westerse samenleving is corrupt. Daar willen we helemaal geen deel van uitmaken, hooguit om die van binnenuit te veranderen.

Dan hoort men Rouvoet en met hem de hele politieke elite spreken over de opname van deze groepen in de rechtstaat. Dat wordt niet begrepen. Er wordt niet begrepen dat dit dagelijks ervaren gebrek aan ´iets gemeenschappelijks´ niet door politici opgepakt wordt. Er wordt niet begrepen dat politici door hun naïviteit de gestage erosie van dit besef dat er een publieke zaak is, nu al jaren lang laten gebeuren. De lezing van Rouvoet is er een voorbeeld van. Zolang dat signaal niet opgepikt wordt, blijft Wilders de wind in de zeilen houden.

AP

(In de Waagschaal, nieuwe jaargang 38, nr. 9. 27 juni 2009)