Commentaar (Keesje)

Vanaf 1 januari verandert de zorg in Nederland. In de politiek wordt bijna over niets anders meer gesproken. Zeker, het is een bezuinigingsoperatie. Daar wil ik het nu niet over hebben. Het is ook een grondige verandering in het denken over de zorg en de rol van de overheid en van de samenleving. In de kern komt het er op neer, dat mensen niet meer aangesproken worden op wat zij niet kunnen, maar op wat zij wel kunnen. Dat wel kunnen wordt breed opgevat. Het betekent ook dat er gekeken wordt of en op welke wijze het netwerk van de zorgvrager ingezet kan worden.

Telkens als ik de enthousiaste verhalen hoor waarin deze visie onder woorden en aan de man gebracht wordt, moet ik aan Keesje denken. Het diakenhuismannetje dat door Hildebrand zo treffend beschreven is in de Camera Obscura. Er wordt van jongs af aan met hem gedaan. Alles wat hij aanpakt mislukt. Volstrekt afhankelijk van anderen. Schrijnend wordt dat duidelijk als hij aan het eind van zijn leven in het diaconiehuis belandt. Daar wordt zelfs het kleine beetje waar hij nog enige zelfwaarde aan ontleende van hem afgepakt.

Na de oorlog sprak mijn generatie uit: dit nooit meer. Nooit meer die vernederende afhankelijkheid. Steun werd geen genade meer, maar recht. Recht op bijstand verstrekt door een neutrale overheid. Niet langer afhankelijk van de barmhartige willekeur van diakenen en andere weldoeners. Ik herinner mij het gesprek in de rijke diaconie van Rotterdam in de jaren 80. Moest de diaconie haar verstrekkende positie opgeven en overlaten aan een de overheid. Ik was daar een vurig voorstander van. Objectieve en rechtvaardige criteria moesten er komen. Ik dacht aan Keesje.

Ik heb dan ook enige moeite als ik de voorstanders van de huidige systeemwijziging veroordelend hoor spreken over de verzorgingsstaat. Misprijzend merken zij op dat die mensen van zich afhankelijk gemaakt heeft. Is het niet beter dat de overheid een stap terug doet en het initiatief meer overlaat aan het maatschappelijke middenveld? Ik onderken dat er iets veranderen moet in de aanpak van de zorg. Ik erken ook dat er een zekere afhankelijkheid van de staat ontstaan is. Het is een afhankelijk die voor Keesje overigens een zegen geweest zou zijn.

Ook nu nog leven er veel Keesjes onder ons. Mensen die eenzaam zijn en nauwelijks een sociaal netwerk om zich heen hebben. Zij redden het omdat de overheid voor hen zorgt. Ik besef ook dat daar bij de ingezette stelselwijziging oog voor is. Toch ben ik er niet helemaal gerust op. Het kan zo maar gebeuren dat onder het mom van hervorming de ouderwetse liefdadigheid in nieuwe gedaante terugkeert. Voor je het weet is het inschakelen van het eigen netwerk een nieuwe vorm van afhankelijkheid.

Keesje is degene die het uiteindelijk voor hem opneemt onderdanig dankbaar. Schrijnend. Dit soort dankbaarheid mag niet terugkeren. Nogmaals, ik zeg niet dat dat de inzet van de stelselwijziging is. Dat neemt niet weg, dat we er als samenleving en als kerk van meet af aan alert op moeten zijn. Daarom: gedenk Keesje!

At Polhuis

 

(In de Waagschaal, nieuwe jaargang 44, 3 januari 2015)