Commentaar (Pacifisme)

In de marge van het nieuws over het oprukken van IS ontvlamde opeens ook een discussie over pacifisme. Het was Mient Jan Faber, die in Trouw (26-08-2014) de steen in de vijver wierp. ‘Pacifisme is geen oplossing waarvan IS wakker ligt en zelfs geen optie die ons land vrijwaart van mogelijke betrokkenheid’. Zijn opiniestuk werd gezien als een bekering van de vredesactivist in zijn nadagen. Vreemd allemaal. Van Faber heb ik veel geleerd, maar dat hij pacifist was, heb ik nooit gemerkt. Nog vreemder is het dat hij zonder enige onderbouwing in zijn stuk suggereert dat de huidige situatie in het Midden Oosten ontstaan is door een pacifistische Westerse politiek. Vreemd allemaal. De politiek die mede geleid heeft tot de opkomst van IS is vele malen door pacifisten gekritiseerd. De gevoerde oorlogen in Irak kunnen toch moeilijk tot het pacifistische denken gerekend worden.

De Europese situatie dan? Is het conflict in Oekraïne het gevolg van een vredelievende Europese politiek, die Poetin de ruimte laat om op te rukken? Lijkt mij van niet. Verschillende malen is ook in dit blad gewaarschuwd voor de Europese arrogante machtspolitiek, waardoor Rusland steeds verder omsingeld raakte.

Op zijn stuk reageerden Kerk en Vrede leden Witte en Grandia. Hun behoedzame weerwoord riep enkele agressief getinte reacties op. Het pacifisme had het gedaan. Weg met die naïevelingen.

Deze houding ten opzichte van het pacifisme roept sterke herinneringen op aan de reactie van velen bij het uitbreken van WOII en de Koreaanse oorlog. Ook toen werd pacifisten voor de voeten geworpen dat zij irrelevant, ja zelfs gevaarlijk waren. In zijn ’52 vragen over oorlog en vrede’ gaat Krijn Strijd daarop in. Hij wijst er op dat de geschiedenis van WOII niet pas begon in 1933. In de aanloop er naar toe is vanaf de vrede van Versailles door pacifisten gewezen op het daarmee samenhangende onrecht.  “Een ‘vrede’ zonder gerechtigheid en wil tot verzoening betekent slechts een onderbreking van de oorlog”. Datzelfde geldt voor de Koreaanse oorlog. Ook toen is vele malen gewezen op de fatale gevolgen van de gevolgde politiek. Het heeft allemaal niet geholpen, omdat het militair-industriële complex in de politiek ruim baan kreeg. Als het dan mis gaat, moet men dat pacifisten niet verwijten. Het is ook geen reden om het failliet van het pacifistische denken uit te spreken.

Wat voor toen gold, geldt nog steeds. De geschiedenis begint niet met IS en begint ook niet met de verovering van de Krim door Rusland. Daar gaat een jarenlange ontwikkeling aan vooraf. Ik noemde ze al. Het probleem is niet een teveel aan pacifisme, maar een te weinig er van. Daar had Faber op moeten wijzen. Het protest tegen de ontwikkelingen die nu tot de gevaarlijke situatie in Europa en het Midden Oosten geleid hebben, had veel harder moeten klinken. Het is achteraf praten, maar toch zinvol om vast te stellen.

Juist in de dreigingen van nu, blijft pacifisme een christelijke opdracht. Dat betekent niet mee gaan met een dodelijke geweldsspiraal, maar het betekent – om met Strijd te spreken – “in de eerste plaats afrekenen met ons verleden, waarin wij kostbare kansen lieten verloren gaan”.

AP

 

(In de Waagschaal, nieuwe jaargang 43, nr. 11. 8 november 2014)