Commentaar (Wassenaar)

‘Want God laat de jood niet aan zijn lot over. God trekt met hem mee al die tijd. Het is dit geloof waar de gemeente haar kracht uit put. De gemeente die zich volbloed jood weet en die toch niet gaat wanhopen. Het is dit geloof waardoor de gemeente zegt: Wat! Ik ga alle andere joden in de wereld erbij halen en we gaan samen leven naar die dag toe van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. En het lukt!, want God is erbij. We houden het vol.’

Bovenstaande is een citaat uit een preek. Het is het slotakkoord. De laatste weken is er in de kerk commotie ontstaan over de preek van Wassenaar. Een preek die volgens sommigen zo in een handboek kan over antisemitisme. Het Cidi en Trouw zetten de kerk onder druk om de preek en de predikant in klare taal af te keuren. Antisemitisme. Volgens mijn woordenboek: jodenhaat, anti-joodse gezindheid. Een antisemiet is iemand die vijandig is tegenover de joden.

Ik hoor dat niet in het boven weergegeven citaat. Toch is het de conclusie uit de gewraakte preek. In alle publiciteit is alle accent komen te liggen op die passages waarin de jood als verrader afgeschilderd wordt. Ook al waarschuwt de predikant er aan het begin voor dat hij, met een beroep op Miskotte – een pikant detail – niet over de joden spreekt als bijv. inwoners van Israël, maar over een bepaalde manier van mens-zijn, wordt dat verband er wel in gehoord. Dat heeft de predikant aan zichzelf te wijten. In dat opzicht hebben de critici gelijk. Er is sprake van een grenzeloze naïviteit en slordigheid. Wie over joden en in één zin over Hitler spreekt, weet dat hij met meer dan vuur speelt. Wie zich dat niet bewust is, diskwalificeert zich als predikant.

Toch noem ik de preek niet anti-semitisch. Dat zou het geval zijn als verkondigd was, dat God de joden afgeschreven had. Dat gebeurt nu juist niet. In de preek komen de levende joden slechts zijdelings voor. Over hen wil de verkondiger helemaal niet spreken. Als er over joden gesproken wordt, worden christenen bedoeld. Zij mogen horen dat God zich niet van hen afkeert. Als dat voor hen geldt, geldt dat ook voor alle andere joden.

De Wassenaarse preek en alle reacties erop laten weer eens zien hoe lastig de verhouding tussen joden en christenen is. Veel emoties en weinig nuances. Er over spreken vraagt veel begrip en inlevingsvermogen. Dat wordt in de preek gemist. Ook als dat er wel is, blijft de relatie theologisch problematisch. Daarvan is de Wassenaarse preek ook een voorbeeld. Te snel over anti-semitisme spreken, op grond van begrijpelijke gekwetstheid, kan de kerk nog lelijk opbreken.

Ter voorbereiding van Pinksteren las ik nog een preek. Daarin komt de volgende passage voor: ‘Deze Jezus, …, hebt u, Joden en inwoners van Jeruzalem, door heidenen laten kruisigen en doden.’ Ik zou het zo niet in een preek durven na te zeggen, maar het is wel Petrus zelf die hier spreekt. Moet dan ook deze preek veroordeeld worden?

AP

In de Waagschaal, nieuwe jaargang 35, nr. 9. 1 juli 2006