Commentaar (Wetenschappelijk)

Bij zijn benoeming tot hoogleraar gereformeerde theologie in Göttingen werd voor Karl Barth de vraag of theologie wetenschappelijk was actueel, met andere woorden, hoorde zij op de academie thuis. Met die vraag heeft hij zich intensief beziggehouden. Hij begint de KD met uitvoerig aan te geven dat theologie wetenschap is.

Ik moest er aan denken bij het lezen van het interview met Mechteld Jansen in Trouw van 17 mei jl.. Zij werd geïnterviewd omdat zij als eerste vrouw tot rector van de PTU benoemd is. Kennelijk toch altijd nog iets bijzonders, (uiteraard ook vanaf deze plaats een hartelijke gelukwens). In het interview gaat het evenwel niet om haar vrouw zijn, maar vooral en terecht om haar opvattingen. De interviewer bevraagt haar over de waarde van de theologie als wetenschap.

Jansen verweert zich dapper, maar het interview eindigt voor theologen herkenbaar. Het lukt niet om de theologie, gemeten aan de gangbare wetenschapsopvatting over het voetlicht te brengen. Wat rest is de sprong van de kat in nood. In de heersende wetenschap is er toch nog, hoe bescheiden ook, een plekje voor de theologie. Jansen benoemt dat als volgt: ‘Zoals psychologen kijken naar cognities en emoties, zo kijken theologen naar wat er gebeurt in de ziel van mensen’.

Dat was het moment dat ik aan Karl Barth moest denken. Tamelijk ontspannen gaat hij om met de vraag of theologie wetenschap is. Als zij niet past in de gangbare opvatting van wetenschap is dat voor hem geen probleem. Hij weigert om zich als theoloog voor de andere wetenschappen te rechtvaardigen. Theologie is voor hem niet pas wetenschap als het past in een algemeen geldig begrip van wetenschap. Tegelijk pleit hij er voor om theologie wetenschap te blijven noemen. Hij doet dat overigens ‘ohne Pathos’.

Dragende gedachte voor zijn betoog is zijn opvatting van theologische wetenschap. Deze wetenschap bestudeert een menselijk verschijnsel. Dan gaat het om het menselijke spreken van God in de kerk. Dat verschijnsel kan op verschillende manier bestudeerd worden. Voor Barth is de kern dat dat kerkelijke spreken gemeten en beoordeeld wordt naar wat het pretendeert te zijn: Woord Gods. Dat betekent methodisch een eigen kennisweg voor de theologie. Die kennisweg moet voor anderen inzichtelijk gemaakt worden. De theologie legt net als elke andere wetenschap verantwoording af over de weg die zij gaat om tot inzicht te komen.

Of deze weg door de Academie als wetenschappelijk betiteld wordt, interesseert Barth niet echt. Toch houdt hij vast aan die pretentie. Zo blijft de theologie er aan herinnert zich strikt aan de eigen, met de kern van de Zaak samenhangende criteria te houden.

Het is te hopen dat deze heldere inzet van Barth bij de opleiding van predikanten aan de PTU gekend en geleerd wordt. Dan kan er beslist en bescheiden als theoloog ook wetenschappelijk verantwoord gesproken worden, zonder voortdurend door een gangbare wetenschapsopvatting in het defensief gedrukt te worden. Theologie is immers zo veel meer, dan kijken in de ziel van mensen. Laat dat maar over aan mensen als Coen Verbraak.

AP

 

(In de Waagschaal, nieuwe jaargang 43, nr. 7. 21 juni 2014)