De brave Hendrik

Het is dit jaar twee maal raak. Op 15 juni neemt Jaap Smit tijdens een symposium aan de VU de dominee op de korrel. Een aantal maanden later is de conclusie van het preekonderzoek van Ciska Stark en Bert de Leede bepaald niet vleiend voor de dominee. Smit, zelf predikant (geweest), noemt de dominee in het verslag van Trouw van het symposium een brave hendrik. Letterlijk zegt hij: ‘Wat doe ik hier, denk ik dan, als er weer zo’n brave hendrik in een toga wat staat te doen’. Maatschappelijk totaal niet relevant meer. Stark en De Leede zeggen in feite, hoewel hun toonzetting iets rustiger is, hetzelfde.

De neiging is om weg te kijken. Ik zie dat in veel reacties en ik merk het ook aan mij zelf. Het kan toch niet waar zijn dat dat waar ik de afgelopen veertig jaar met hart en ziel mij aan gewijd heb, zo neergezet wordt. Hoeveel heb ik daar niet in geïnvesteerd, cursussen, trainingen, studie. Ik herinner mij nog goed de discussies die we in Rotterdam ten tijde van de economische crisis in de jaren 80 voerden. In korte tijd verdween de hoop op een betere wereld. Welnu, de kerk was de plek waar de hoop levend gehouden werd. Dat was een belangrijke functie van de preek. Laat ik er direct bij zeggen, dat ik ook zelf lang zo gedacht heb. Ik snap daarom de afwerende reacties wel. Wie is in staat om dat wat hij/zij met hartstocht doet als maatschappelijk irrelevant te betitelen. Niemand zal zich zelf toch een brave hendrik noemen? Als dat zo is, houd je toch als dominee onmiddellijk op met je werk? Daarom, ik heb als emeritus makkelijk praten. Zeker, maar die afstand geeft ook enige ruimte om de kritiek toe te laten om die te kunnen beoordelen. Vanuit die afstand komt die kritiek dichter op mijn huid en op die van dominees dan mij lief is.

Na mijn emeritaat maakte ik de sprong naar het politieke debat. Daar maak ik nu als deelnemer het geworstel mee hoe bezuinigingen zo eerlijk mogelijk over de verschillende beleidsterreinen verdeeld worden. Allerlei belangen botsen op elkaar. Die belangen zijn nooit anoniem, maar hebben een gezicht. Het gezicht van wijkbewoners die zich tekort gedaan voelen, het gezicht van ondernemers die voor hun broodwinning op komen, het gezicht van projectontwikkelaars en planners van de openbare ruimte enz.. Alleen de kerk kom ik er zelden tegen. Nee, natuurlijk niet, zult u zeggen. Er is toch een scheiding tussen kerk en staat. De staat komt toch niet op voor de belangen van de kerk? Het is waar, maar waarom zien we de kerk dan ook niet als partner van boze bewoners, die te hoop lopen tegen hun huisbaas? Zo af en toe zijn daar kerkelijk geïnspireerde groepjes bij betrokken. Hun relatie met de officiële kerk is meestal gespannen. Krijn Strijd, overigens één van de bevlogen theologen die tijdens het genoemde symposium geëerd werd, noemde dat het leven in twee compartimenten. We leven in dezelfde wereld, die tegelijk totaal van elkaar gescheiden zijn.

Zijn gelijk wordt voor mij nog eens onderstreept als ik als kerkganger diensten bezoek. Vaak mooi vormgegeven, maar het is een andere wereld waar ik in stap. Veel nadruk op het je ‘goed voelen’. Daar is Jezus voor gekomen. Soms bekruipt mij het gevoel dat Marx toch gelijk had: opium voor het volk. De maatschappelijke context ontbreekt. Dat wil niet zeggen dat die elke keer expliciet aan de orde moet komen. Ik bedoel meer dat er een gevoel is, dat de kerk en de prediking binnen een maatschappelijke context functioneren. Nu bevestigen preken ongemerkt de bestaande orde. De onvrede wordt niet aangewakkerd maar gedempt. Zondag en maandag hebben weinig met elkaar te maken, hoewel in menig preek opgeroepen wordt die met elkaar te verbinden. Dan wordt meestal bedoeld: vergeet niet in uw werkomgeving van het evangelie te getuigen. Niets mis mee, maar dat er ook nog een omgekeerde beweging is: van de maandag naar de zondag, wordt dan vergeten.

Laat ik er direct bij zeggen, dat ik ook niet precies weet, hoe die verbinding dan wel gelegd moet worden. Ik vrees dat Jaap Smit als hij bij mij onder het gehoor zit dezelfde opmerking zou maken: brave hendrik.

In het door Stark en De Leede ontketende debat merkte ik in een korte reactie in Trouw (22-09-2012) op dat de kerk waarbinnen de ‘brave hendrikken’ functioneren totaal ontbreekt. Voor mij staat het vast dat de uitstraling van het instituut kerk bijdraagt aan de marginalisering van de dominee en de preek. Om Smit nog eens te citeren. ‘De kerk is alleen nog druk met zichzelf’. In mijn stukje leverde ik een paar bewijzen voor die stelling. Ik merkte op dat er van de kerk geen richtinggevend woord gehoord is over de nu al jaren durende schuldencrisis, de Europese crisis, de noodzakelijke verduurzaming, de verslechterende positie van de werknemer in het maatschappelijke bestel. Als daar door de kerk geen uitspraken over gedaan worden, worden dominees niet geholpen. Wat nog belangrijker is. Er worden geen mensen aangetrokken die daardoor aangesproken worden. Een brave kerk trekt brave hendrikken aan. Om het persoonlijk te houden. Voor mij zelf   waren de uitspraken van de kerk over de Koude Oorlog een stimulans om theologie te studeren. In die uitspraken herkende ik de relevantie van geloof en theologie.

Mijn stukje in Trouw leverde mij een ‘standje’ op van Harm Dane, verbonden aan het Bezinningscentrum van de PKN. Er werd wel degelijk vanuit de landelijke kerk iets gedaan aan de door mij genoemde onderwerpen. Als bewijs voegde hij een paar exemplaren toe van het door het Bezinningscentrum uitgegeven blad Festus. Ik kende het niet. Inderdaad een fraai verzorgd blad met veel goede informatie. Teleurgesteld merkt Dane in zijn reactie op dat de uitgave van het blad door kerkbrede desinteresse na zeven (!) nummers al weer moet stoppen. Ongewild is dat, dunkt mij, een bewijs voor de stelling dat de kerk en dus ook de prediking maatschappelijk irrelevant geworden is.

Toch gaat het ‘standje’ aan mijn punt voorbij. Vandaar dat ik dat nogmaals onder woorden probeer te brengen. Ik pleit voor breed samengestelde beraadsgroepen in de kerk, die zich bezinnen op de maatschappelijke vragen van dit moment. Dan bedoel ik niet vrijblijvende gespreksgroepen van geïnteresseerden. Ook geen toerustingswerk zoals door Festus bedoeld werd. Het gaat mij om door de Synode ingestelde beraadsgroepen, die kerkelijke uitspraken voorbereiden. Geen vrijblijvend gepraat, geen niet verplichtende informatie, maar kerkelijke uitspraken, die in de kerk en daarbuiten tot discussie leiden. Ook al is de kerk aanzienlijker kleiner geworden, er is nog altijd potentieel genoeg. In de beraadsgroepen worden de leden niet op hun politieke kleur aangesproken, maar op hun kennis van zaken. Wat gebeurt er als die meningen met elkaar botsen, maar vooral als die onder de spanning van het evangelie komen te staan?

Het lijkt mij voor het politieke debat in Nederland een belangrijke bijdrage die de kerk kan leveren. Over de grenzen van de politiek heen visies met elkaar in gesprek brengen. Het lijkt mij ook voor het kerkelijke debat in Nederland van belang. In die groepen wordt het evangelie getoetst aan de maatschappelijke vragen van nu. Of, als u dat liever heeft, worden die vragen aan het evangelie getoetst. Dat alles met het oog op het kerkelijke spreken. Klinkt dat te pretentieus? In deze dagen past de kerk bescheidenheid. Dat mag haar evenwel niet weerhouden om aan het maatschappelijk debat mee te doen. Daarvoor is het evangelie te universeel.

Als ik dit schrijf denk ik aan iemand als Herman Wijffels. Wat een creativiteit en wat een vernieuwende ideeën!  Zoals hij zullen er nog wel anderen, ook in de kerkelijke kaartenbakken zitten. Wat zou het mooi zijn als we hun kennis kunnen inzetten voor een maatschappelijk betrokken kerk. Kortom, er is volop werk aan de winkel om deze voorgangers in onze kaartenbakken te vinden en bij elkaar te brengen. Ik droom er al van wat dat voor richtinggevende synodale uitspraken zal opleveren. Inspirerend genoeg voor jongeren om opnieuw in de kerk actief te worden. Dan kan het niet uitblijven dat ook die soort dominees weer terugkeert. ‘De bevlogen theologen die de barricaden opgaan voor een betere wereld’. Dan hoeven stukjes als dit niet meer geschreven te worden.

 

(In de Waagschaal, nw. jaargang 41, november 2012, nr. 11)