De overheid als weldaad

Op de avond na de eerste verklaring van Mohammed B. werd in Nova aan een commentator van Marokkaanse afkomst gevraagd of B. binnen de Marokkaanse gemeenschap op sympathie voor zijn daad kon rekenen. Als het ging om de moord op Van Gogh was dat niet het geval, zo antwoordde hij, maar er was wel veel bewondering voor hem dat hij de Islam als geloof zo in de aandacht gebracht had. Daar ging het debat in Nederland nu toch over. Het is een reactie die ik ook binnen de kerk waarneem.

In nummer 4 van deze jaargang legt J.M. van ’t Kruis uit waarom onder andere mijn kritiek op de kanselboodschap naar aanleiding van de moord op Van Gogh de plank misslaat. Ik plaats mij buiten het debat in de samenleving. Om welke debat gaat het dan? Dan gaat het om: ‘de vraag naar de (schadelijke) invloed die godsdienst op de maatschappij kan hebben en over de vraag naar de plaats van godsdienst in het publieke domein’. Dank aan Mohammed B. Zijn daad is afkeurenswaardig, maar het heeft er toch maar toe geleid dat niet alleen de Islam, maar godsdienst als zodanig weer actueel is. Het klinkt als een opluchting. Godsdienst is, ik citeer weer Van ’t Kruis, niet langer een achterhaald verschijnsel waaraan voorbij kan worden gegaan. Het thema staat opnieuw op de agenda, tot frustratie (!) van velen die meenden dat aan deze duisternis (!) eindelijk een einde gekomen was’. We hoeven niet langer onder het juk door van het verlichte deel der natie.

Nu zal ik niet ontkennen dat godsdienst een rol speelt in het publieke domein. De moord was er een gruwelijk bewijs voor. Dat daar een fel debat over ontstaat, lijkt mij vanzelfsprekend. Dat opnieuw gekeken wordt hoe godsdienstvrijheid zich tot andere grondrechten verhoudt, verbaast mij niets. Wat mij wel verbaast, eerlijk gezegd verbijstert, is dat we als kerk dit verschijnen van godsdienst in het publieke domein niet duisternis blijven noemen? Hartgrondig verwerpen dus. Ik hoor het Van ’t Kruis ook niet op persoonlijke titel zeggen. Hoe komt dat toch? Ik probeer te achterhalen.

Ik wijs op een zinnetje uit zijn curieuze gesprek met De Wijer over de Verlichting. “Wij zullen geen woorden spreken die de werkelijkheid tot omkeer pogen te brengen”. Tot goed begrip dat verwijt treft De Wijer en mij. Wij laten ons door de Verlichting de wet voorschrijven. Dat moet nu juist niet gebeuren volgens Van ’t Kruis. De kerk heeft immers deze revolutionaire woorden wel te spreken. Al te lang heeft zij zich uit het publieke domein laten wegdrukken. Het is de vrijheid van de kerk, van de prediking ook in het publieke domein te spreken.

Dit sympathiek klinkende betoog veroorzaakt de bovengenoemde spagaat. Je moet het principieel wel opnemen voor uitingen van de Islam in het publieke domein ook als die haaks staan op je eigen opvattingen. Als je dat niet doet, belemmer je ook je eigen spreken in dat domein. Daarom ook de heimelijke waardering voor de Islam. Waartoe wij als Christenen, geïnfecteerd door de Verlichting, niet meer in staat waren, lukte hen wel. Hun zelfbewustzijn wakkert op die manier ons zelfbewustzijn weer aan.

Hoe sympathiek ook, er zijn toch nog wel een paar vragen bij te stellen. Hoe spijtig Van ’t Kruis dat ook wellicht vindt, een binnenkerkelijk gesprek is hard nodig. Het gaat mij om de pretentie dat wij woorden die omkeer brengen zullen spreken. Ja zeker, die zullen wij spreken als God het wil. Als het gebeurt, gebeurt het in de eredienst in de uitleg van Wet en Profeten, maar in het publieke domein? Ik zet er mijn vraagtekens bij.

Ik maak een sprong. Richtinggevend voor mij is telkens weer Barth. Na het uitbreken van WOI is hij geschokt. Moeiteloos worden de publieke, politieke standpunten verbonden met de geloofsposities. Die ervaring heeft zijn verdere leven en zijn theologie bepaald. Kerkelijk spreken in het publieke domein staat sindsdien onder de verdenking. Het is vaak meer een religieus verpakt menselijk spreken, een spreken waarin de mens zich groot maakt. Menselijk doelen en idealen krijgen goddelijke aureool. God in dienst genomen van menselijke belangen. Het is voor Barth het echec van het Christendom. Wat licht moest brengen, bracht duisternis voort. In een indrukwekkend levenslang gevecht heeft hij gepoogd dit echec te boven te komen.

Telkens opnieuw dient de kerk zich bewust te zijn van dit gevaar. Duisternis noemend wat duisternis is: het in regie nemen van God door mensen. Dat oordeel treft allereerst haarzelf, maar toch ook anderen. In het publieke domein mag zo niet gesproken worden. Het publieke debat wordt er door onmogelijk, ja meer dan dat, wordt er uiterst gevaarlijk door. Het debat houdt er namelijk door op. Het optreden van Mohammed B. demonstreert het. Een kerk die dan ook nog in dat publieke debat als kerk woorden tot omkeer probeert te spreken, maakt het alleen nog maar erger, hoewel ik mij geen enkele voorstelling kan maken welke voorstelling Van ’t Kruis daarbij heeft.

Laat ik daarmee het publieke domein dan maar over aan vrijblijvend gepraat, waar de kerk niets te zoeken heeft? Een absolute scheiding tussen kerk en maatschappij? Geenszins. Ik herinner Van ’t Kruis, maar nu nadrukkelijk als beleidssecretaris van de kerk, aan artikel 1.5 van de kerkorde. Daarin erkent de kerk de betekenis van de theologische verklaring van Barmen voor het belijden in het heden. Het is zeer de moeite waard die verklaring in dit debat uitvoerig te betrekken. Op heldere wijze wordt uit elkaar gehaald wat telkens weer, ook bij Van ’t Kruis, door elkaar heen loopt: wat taak en grens van de kerk is. Die grens in deze niet verloste wereld is de overheid. ‘De kerk erkent in dankbaarheid en eerbied jegens God de weldaad van deze beschikking’. Met andere woorden in het publieke domein komen we de overheid tegen, niet als wandaad, maar als weldaad. Deze overheid zorgt voor recht en rust. Daarop is zij telkenmale aan te spreken ook door de kerk.

Hoe kritisch en ver dat kan gaan, heeft Barth in zijn uitleg van artikel V van de Barmer verklaring uitvoerig beschreven en in zijn eigen politieke spreken gedemonstreerd. Die ruimte is er omdat de overheid er niet alleen is om de ongelovigen in de touwen te houden, maar ingesteld is door de God, die wij als Vader van Jezus Christus hebben leren kennen. Ook in het publieke domein van de overheid gaat het om menselijkheid!

Kortom, als we in het publieke domein van Zijn grote daden willen getuigen, getuigen we van de weldaad van de overheid. Dat betekent opkomen voor het moeizame politieke handwerk. Dat betekent een krachtig weerspreken van alle minachting voor het politieke bedrijf. Het betekent verzet als dit instituut in de meest brede betekenis van het woord ondermijnd dreigt te worden. Het betekent ook een zich krachtig inzetten als lid van de samenleving voor de overheid. Als dat onze inzet is, belooft Paulus ons, hoeven we van de overheid niets te vrezen, dan zal zij ons prijzen.

Aan deze politieke dienst hebben we als kerk en kerkmensen onze handen vol, maar dat lukt natuurlijk alleen maar als we een van de Zaak bewuste kerk en als we dito gelovigen hebben. Daarom is het binnenkerkelijke gesprek zo van eminent belang.

At Polhuis

In de Waagschaal, 34e jaargang. 2005, 6