De vreemdeling als vijand?

teleurstelling en verdriet

Als ik over de jaarlijkse bazar loop ontmoet ik de wijksamenleving die voorbij is. Ik voel bij veel blanke bezoekers de heimwee naar en het verdriet over de verloren wijk, waar men gelukkig was. Deze bezoekers komen van overal, uit de wijk zelf, maar vooral uit de nieuwbouwdorpen die om de stad verrezen zijn. Eens woonden zij in deze wijk. Jaren geleden zijn zij weggegaan. Ze hielden het niet meer vol. Ik hoor ze aan elkaar de verhalen van vroeger vertellen. Ondertussen verkopen zij de potten en de pannen aan de Marokkaanse en Turkse moeders. Met de Antillianen, de Surinamers en nog vele andere nationaliteiten vormen zij de nieuwe bewoners van de wijk. De bazar als metafoor van de buurt. Soms laait het vuur op bij een verkoopgesprekje, maar in de meeste gevallen gaat het goed.

Toen de bazar begon, nu meer dan 40 jaar geleden, was de wijk nog blank. Er heerste enthousiasme, de kerk groeide en vele verenigingen bloeiden. Na ongeveer 20 jaar begon er iets te veranderen. Het is eind jaren 80. De eerste groep ´allochtonen´ kwam de wijk binnen. In de ogen van de oorspronkelijke bewoners was dat vreemd. Hun eigen kinderen konden in de wijk geen woning vinden, hoewel zij dat wel wilden. Zij wel. Lang werd daar niet over nagedacht, zeker niet als gelovige. Was het niet de opdracht van gelovigen zich over de vreemdeling te ontfermen? Zij moesten opgevangen worden en wegwijs gemaakt. De vreemdeling was geen vijand, maar iemand die geholpen moest worden. Net als wij zou hij met plezier in de wijk wonen. Stilzwijgend ging men er van uit, dat hij of zij zich aan dezelfde regels die het samenleven regelde, zou houden.

Bovenkerk en anderen noemen dat in hun in kerkelijke kringen veel te weinig bekende studie `Vreemd volk, gemengde gevoelens´ de fase van het beschavingsoffensief. Geprobeerd wordt nieuwkomers bij de wijksamenleving te betrekken. Nieuwkomers werden opgenomen in de roosters die vanaf het begin in de portieken hingen. Daarin werd geregeld wie wanneer aan de beurt was de portiek schoon te maken. Betuttelend misschien, maar het werkt wel. Tenminste in het begin. Op den duur gaat het mis.

Ik wandel met een cameraploeg samen met een Antilliaanse door de wijk. Zij laat zien waar zij als nieuwkomer in de wijk kwam wonen. Zij praat er met liefde over. Ze werd opgevangen. De mensen waren aardig voor haar. Zij liet zich invoegen in het patroon dat gold. Na een paar jaar is zij verhuisd. Weg uit de straat. De verslaggever vraagt haar waarom. Er kwamen in de straat te veel ´allochtonen´ wonen. Hoe meer er kwamen des te minder trokken zij zich iets aan van de geldende gewoonten en zeden. Het werd haar kwalijk genomen dat zij dat wel deed. Het was niet meer gezellig. Trappenhuizen vervuilden en tot ´s avonds laat was het rumoerig op straat.

Ook deze fase beschrijft Bovenkerk. Door de komst van anderen, door familiehereniging richten ´allochtonen´ zich niet langer op de nieuwe samenleving, maar op zichzelf. Er ontstaat vervreemding. Aan de kant van de ´autochtone´ bewoners groeit de teleurstelling. Hebben zij zich ingespannen om de nieuwkomer bij de wijk te betrekken, trekken zij zich er niets van aan.

De meerderheid van de blanke bezoekers van de bazar woont inmiddels niet meer in de wijk. Zij voelen zich verdreven van de plaats waar zij gelukkig waren. Bitter kunnen zij opmerken dat zij de echte vluchtelingen zijn. Degenen die gebleven zijn, wonen in goed beveiligde complexen in de wijk. Daar leven zij hun eigen leven. De straat hebben zij allang opgegeven. Op zondag komen zij naar buiten. Naar de kerk. Eens fier en krachtig in de wijk aanwezig. Nu nog maar een kleine groep ouderen die de lofzang gaande houden.

wie is de vreemdeling?

Veel van de bazarbezoekers kennen het kerkelijke materiaal en gedachtegoed: de vreemdeling in ons midden de gastvrijheid die gevraagd wordt. Dat heeft men ter harte genomen. Nog altijd is men daarop aanspreekbaar. Het zijn 80-jarigen die de voedselbank in de wijk gaande houden en in het inloophuis als vrijwilliger werken. Daarom wringt het als zij telkens weer opnieuw aangesproken worden of zij zich wel voor de vreemdeling inzetten, als er voor de vreemdeling in ons midden aandacht gevraagd wordt. Het is goed dat het gezegd wordt, maar waarom zo weinig aandacht voor deze kerkmensen zelf, voor de wijkbewoners die teleurgesteld achtergebleven zijn? Moet het niet zo zijn, dat we ook over hen spreken als we in de kerk over de vreemdeling in ons midden spreken? Deze gemeenteleden zijn geen ontvangers van een boodschap, die hen oproept iets te doen waartoe zij van uit zich zelf niet kwamen? Deze gemeenteleden staan midden in een proces en zijn daar ook slachtoffer van, vervreemd. Daar dient aandacht voor te zijn? Beter gezegd, voor hen dient aandacht te zijn. Als er opgekomen wordt voor de vreemdeling in ons midden, dan horen zij er bij.

verdwijnende kerken

Horend bij het verdriet en de teleurstelling van deze leden van de kerk in de verouderde stadswijken, zijn de slinkende kerkgemeenschappen. Kleine, vergrijzende groepen zijn het. In de wijk waarin ik werk zijn de meesten van de kerkgangers ruim boven de 70.

Dit feit dringt maar moeilijk door tot kerkelijke beleidsmakers. Nog steeds worden kerken in de stad opgeroepen de vreemdeling als gave en opgave voor de kerk te zien. Wie heeft men op het oog als dat gezegd wordt? In een door kerkelijke werkers verspreid stuk wordt aan voorgangers en gemeenteleden gevraagd wie de samenwerkingspartners over 5 of 10 jaar zijn? Mijn ouderlingen maken zich daar niet meer druk om. Over 5 of 10 jaar hoop ik 90 te worden.

Dat is de realiteit van de blanke kerk in de multiculturele stad. Hoe merken vreemdelingen dat er een Kerk is in de Nederlandse samenleving? Welnu, de kans de kans dat zij er iets van merken, wordt steeds kleiner.

ander beleid!

Zo veel is wel duidelijk geworden. Ik geloof niet meer in oproepen om aandacht voor de vreemdeling in ons midden. Het klinkt wel mooi, maar is weinig effectief. Ik haast mij om er bij te zeggen, dat ´vreemdelingen´ geen problemen hebben. Ook hun verhalen zijn mij bekend. Tegelijk zie ik ook dat ´vreemdelingen´ in de loop der jaren door eigen instelling en instellingen steeds beter in staat zijn zich te redden. Daarnaast is er ook nog een groot scala van Nederlandse instellingen die hen ondersteunen. Is het daarom nog nodig dat kerken ´vreemdelingen´ als prioriteit voor diaconaal beleid blijven zien? Die vraag moet toch eens gesteld worden.

Een ander spoor lijkt mij nodig. Zeker in onze dagen waarin de gevoelens van teleurstelling en frustratie van oorspronkelijk Nederlandse wijkbewoners politiek geëxploiteerd worden. Heimwee naar vroeger wordt dan de drijfveer. Gesuggereerd wordt dan dat alles weer kan worden zoals het vroeger was. Terug naar vroeger. Vreemdelingen dienen zich aan te passen, Nederlander te worden. Zo niet, dan kunnen ze maar beter verdwijnen.

Deze inzet is begrijpelijk, maar op de lange duur funest. De verwachtingen kunnen niet waargemaakt worden. Het oude, ook de wijk van weleer, komt nooit meer terug. Dat is de harde les die geleerd moet worden. Onze (wijk)samenleving blijft in verandering, met vele onderling verschillende leefstijlen en culturen.

nieuwe inzetten

Een nieuw kerkelijk beleid betekent op z´n minst inzetten op twee zaken.

Investeer in de stad, is het eerste dat dan moet gelden. Investeer met name in de ´zwakke´ wijken. Zorg dat je aanwezig bent en blijft. Leef mee met de kleiner wordende en vergrijzende minderheid. Laat zien dat je begaan bent met wat hen de afgelopen decennia dreef: het vormen en gestalte geven van een levende kerkelijke gemeenschap in de wijk. Zet mensen en middelen in om op die plekken in de stad opnieuw kerk te zijn. Maak vuile handen. Doe dat in verbondenheid met de zwarte kerken. Door zo als kerk in de wijk aanwezig te zijn, wordt er hoop geboden aan kerkmensen die pijn hebben omdat zij de kerk nu zien verdwijnen.

Ook de relatie met de ´vreemdeling´ vraagt om aanpassing. Zet niet langer in op de vreemdeling in ons midden, maar durf met de achtergebleven blanke wijkbewoner zelf vreemdeling te zijn, die een plaats zoekt in de nieuwe samenleving. Die plaats wordt gezocht met alle andere vreemdelingen. Bij die zoektocht kan het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het regeringsbeleid ´Identificatie met Nederland´ goede diensten bewijzen. Vreemdelingen hoeven geen Nederlanders te worden en als ze het al zijn, mogen ze dat gewoon blijven. Het gaat er wel om dat allen die in Nederland wonen zich met Nederland en de Nederlandse instituties identificeren, op nationaal, maar ook op wijkniveau. Nieuwkomers mogen ja moeten aangesproken worden, gezamenlijk met de oorspronkelijke bewoners, op betrokkenheid bij de wijk, de woningcorporatie, de school, het gezondheidscentrum. Van Nederlandse wijkbewoners mag gevraagd worden zich te laten betrekken bij zaken die voor nieuwkomers van belang zijn.

slot

De bazar is inmiddels na meer dan 40 jaar gedraaid te hebben – sommige medewerkers deden vanaf het begin mee – er mee gestopt. Er was niemand te vinden die de organisatie kon overnemen. De tijd dringt. Kerk kom in actie!

At Polhuis

At Polhuis werkt als predikant vanaf 1983 met een korte onderbreking in achterstandswijken, probleemcumulatiegebieden, probleemwijken, prachtwijken van Rotterdam.

(Ouderlingenblad, december 2008. nr. 988, jaargang 86)