Decennium voor de Evangelisatie!

Wat ik voorkomen wil, is een vruchteloze discussie over diaconaat of evangelisatie. Over diaconaat en apostolaat zijn in de reacties op mijn uitspraken, waarin ik aandacht vroeg voor de zorgwekkende situatie van de kerk in de stad, rake dingen gezegd. Wie niet overtuigd is van de waarde van het diaconaat moet niet aan zending doen. Ik werk dagelijks met veel plezier in de wijksamenleving. Daar hoort de kerk thuis. Het omgekeerde is ook waar. Wie apostolaat niet op waarde weet te schatten, moet niet aan diaconaat doen. Het diaconaat wordt voordat je er erg in hebt tot door anderen vervangbaar maatschappelijk goede werken. Dat mag zeker in de diaconale bezinning wel wat meer aandacht krijgen. Diaconaat gaat uit van de tafel van de Heer de samenleving in. Daar hebben we de afgelopen decennia indrukwekkende ervaring mee opgedaan. Diaconaat gaat dan ook weer de weg terug naar de tafel van de Heer. Met die beweging hebben we als kerk en kerkelijk projecten aanzienlijk meer moeite. Dat geldt overigens niet alleen het diaconaat, in het pastoraat is het niet anders.

Dat brengt mij bij een punt dat in de discussie onderbelicht blijft, maar van het grootste belang is. Als dat niet helder wordt, blijven we in vruchteloze polariserende discussies hangen. Ik bedoel daarmee het antwoord op de vraag of we als persoon en als kerk nog wel weten waar we voor staan. Heeft de verlegenheid met evangelisatie niet te maken met de kern van de zaak? Duiden de soms felle reacties er niet op dat we dat maar liever verdringen, er niet aan herinnerd willen worden?

Laat ik het persoonlijk houden. Als student kreeg in Amsterdam veel Barth mee. Ik ben er tot op de dag van vandaag dankbaar voor. De studie was er mee doordrongen met één belangrijke uitzondering: het pastoraat. Daar werd juist afstand genomen van het verkondigende pastoraat. Thurneysen was uit en Rogers in. Pastoral counceling werd de methode en in die methode zat als het ware het evangelie verpakt. ‘The medium is the message.’ Was het kenmerk van Jezus’ pastoraat immers niet zijn nabij zijn bij mensen? Pastoraat werd niet spreken tot, maar luisteren naar mensen. De pastor degene die in naam van de kerk nabij was en de ander hielp mens te zijn.

Deze methode verbreidde zich ook op het diaconale terrein. Niet voor niets werd de kerkelijke presentie in oude wijken pastoraten en niet diaconaten genoemd. In taal- en woordgebruik is er grote overeenkomst. Op dit terrein leverde het een boeiende presentie theorie of theologie op. Ik heb er van genoten en doe dat eigenlijk nog dagelijks. Diaconaat bepaalt mijn carrière. Daar kon en kan ik mijn mede door Barth beïnvloede inspiratie en bewogenheid kwijt. Als getuige van de God van de armen opkomen voor de armen, of beter met de armen; naast hen staan. Geen kwaad woord er over. Deze gang de wereld in was net als de pastorale beweging voor de kerk noodzakelijk en belangrijk.

Toch ontkom ik nu ook op het diaconale terrein niet meer aan de aarzeling die ik op pastoraal gebied al veel eerder intuïtief voelde. Meer dan eens merkte ik dat gemeenteleden meer verwachtten dan een ‘eindje met hen meelopen’. Aan die verwachting kon ik niet voldoen. Ik wist eigenlijk niet goed wat ik zeggen moest en als ik al wat zei ervoer ik het zelf als een beetje wereldvreemd. Achteraf denk ik wel eens, dat mijn keuze voor diaconaat vooral door deze aarzeling in het pastoraat bepaald werd. In het diaconale werk kon de vraag beter ontlopen worden. Heb je naast het meelopen met mensen ook nog iets tot de mensen te zeggen? Gaat de boodschap wel op in de methode? Horen de mensen door het doen het Woord?

Na zoveel jaren diaconaat wil ik voor mij zelf geen genoegen meer nemen met de bekende antwoorden op deze vragen. Naast en na het luisteren en meelopen moet ook gezegd, verkondigd worden. Precies dat heb ik niet geleerd of ben ik al gaande de weg verleerd. Daar zit mijn probleem. De weg van de tafel heb ik gemaakt, dat er ook een weg terug is heb ik moeizaam geleerd. Om die weg terug te gaan ben ik nauwelijks toegerust. Ik sta geregeld met een mond vol tanden.

Ik zou dit alles niet zeggen als ik er niet van overtuigd was dat dit persoonlijke ook kerkelijk van belang is. Het is een vraag aan collega’s en in het algemeen aan de kerk. Weten we nog waar we voor staan? Hebben we nog iets tot mensen te zeggen? Laten we in eerlijkheid en openheid ons die vragen stellen. Is de verlegenheid die ik persoonlijk voel, niet ook de verlegenheid van de kerk?

Ik hoor de morrende geluiden al. Nee, het gaat mij er niet om dat we triomfantelijk weer gaan zeggen dat we een Woord voor de wereld hebben. We hebben niets. Wat we wel weten, is dat het Woord Gods alleen gehoord kan worden door het deemoedig luisteren naar de Schriften; dat we mogen wijzen op Jezus Christus, gekruisigd en opgestaan; ons bestaan geoordeeld opdat we nieuw leven ontvangen. Het zijn grote woorden, ik weet het, maar het is noodzakelijk dat zij klinken en blijven klinken. Dat noem ik enigszins oneerbiedig de ‘core-business’ van de kerk. Daarom mijn oproep aan de kerk om daar de komende jaren intensief in te investeren. In de stad moeten gemeenten blijven waar dit Woord gehoord wordt. Een grotere dienst kunnen we de stad op dit moment niet bewijzen. Daarom moeten we de verlegenheid te boven komen.

Hoezeer dat in onze samenleving en in de stad noodzakelijk is, wordt mij bijna dagelijks duidelijk. Meer dan lange tijd het geval geweest is, wordt er in de stad weer over God gesproken. Dan hoor ik de islamitische bewoners, maar ook de zich geseculariseerd noemende intelligentia. Dan is het juist nodig de ‘onbekende’ God, de ‘Vreemd-sprekende’ te verkondigen. Precies op dat moment dreigt de gemeente uit de stad te verdwijnen en zijn we als kerk onzeker door onze verlegenheid.

Ik ben mij er van bewust dat de juiste diagnose het begin van de heling is. Het is ook de vraag of mijn diagnose de juiste is. Daar moeten we in de kerk nog maar eens verder over spreken. Dat kost tijd en aandacht. Daarom roep ik op tot een decennium voor de evangelisatie. Dat is voor de kerk voor de komende tien jaren de absolute prioriteit. Dat decennium begint met het onderkennen van onze verlegenheid en het opnieuw formuleren van waar we als kerk voor staan. Dat vraagt eerlijkheid naar onszelf en openheid naar elkaar. Verrassende bondgenootschappen kunnen ontstaan, waarbij wij van elkaars eenzijdigheden kunnen leren. Dan volgen vanzelf de methoden van evangelisatie wel.

Een decennium voor de evangelisatie kost ook geld, veel geld. Dat moet vrij gemaakt worden, ook als dat even ten koste gaat van andere activiteiten, zoals de landelijke ondersteuning van diaconale projecten. De kerk ontkomt er niet aan hier duidelijke keuzen te maken. Concentratie op de kern is nu geboden. Het lijkt mij voor de kerk en voor de samenleving heilzaam.

At Polhuis

Centraal Weekblad, 2005, nr. 11