Dekkers vragen

W.L. Dekker stelt mij drie vragen. De beantwoording ervan, zo ik het al zou kunnen, vraagt meer dan driemaal 1500 woorden. Het zijn zinnige vragen, hoewel de eerste mij niet helemaal duidelijk is. Een korte reactie.

1. De verhouding vertaling tot de leer is een uiterst dynamische. Dat blijkt wel uit de levendige discussie, die ook in In de Waagschaal gevoerd wordt. Om te vertalen moet men zich ook bewust zijn van de leer, die expliciet, maar vaker impliciet meespreekt. Met mijn opmerking over het vertalen van katargein heb ik daarop willen wijzen. Het maakt nogal wat uit hoe het vertaald wordt. Barths opmerkingen lijken mij daarom nog altijd van belang.

2. Nee, ik kan geen verklaring geven voor de wisseling in het taalgebruik van Barth. Dat moeten geleerden die zich bezig houden met de verhouding van de jonge en oude Barth maar uitmaken. Ik zelf geloof niet zo erg in echte breuken bij Barth, wel in ontwikkeling. Opvallend vind ik het citaat wel dat Dekker geeft, maar staat dat echt op zo’n gespannen voet met wat Barth in RR beweert? In RR spreekt Barth ook over herrenlosen Gewalten; de staat is één van hen. Het zijn machten (exousia) die zonder Herr zijn. Uiteindelijk zullen zij weer Gewalten ondergeschikt aan de Herr zijn. Hoe zij dan zijn zullen, is voor ons onvoorstelbaar. In dat opzicht bestaan de machten niet meer zoals wij die kennen. Zij zijn teniet gedaan. Betekent dat dan ook dat er helemaal geen Gewalten meer zijn. Ik dacht het niet. Daarom lijkt mij de vertaling met ‘vernietigen’ toch onjuist.

3. Kan er nog wel gesproken worden over de verhouding van Kerk en Staat, alsof dat statische grootheden zijn? In het verleden kon dat nog maar nu niet meer, stelt Dekker. Ik denk het wel. Dagelijks hebben we met de staat te maken in alle gecompliceerdheid die Dekker beschrijft. Invloed van de economie, multinationals enz.. Dat was overigens in de tijd, dat Barth schreef niet anders. Ook de kerk is nog altijd een gegeven. Dan gaat het niet om het instituut alleen. In het kleinste dorp of in een uitgestrekte stadswijk kan de kerk meer kerk zijn dan het instituut. Laat ik uit eigen ervaring spreken. In de stad Rotterdam is er een levendige discussie in de kerk over de verhouding tot de overheid op stedelijk en deelgemeentelijk niveau. Prima dat er een staat/overheid is. Daar moeten we als kerk zuinig op zijn. Ook prima dat er in de stad nog kerk is. Ook daar moeten we zuinig op zijn.

At Polhuis

In de Waagschaal, nieuwe jaargang 35, nr. 11. 12 augustus 2006