Een moedig boek

Onlangs maakte ik een bijeenkomst mee van bewonersorganisaties in Rotterdam-Zuid. Met die bijeenkomst werd een project afgesloten dat enkele jaren daarvoor gestart was. Inzet was om bewoners bij de ingrijpende stedenbouwkundige veranderingen in de stad te betrekken. Aan het begin van de avond worden bewoners geïnterviewd die vanaf het begin van het project betrokken geweest zijn. Eén groep ontbreekt. Het zijn de stadsbewoners van allochtone afkomst. Zelfs degene die zich aan het begin van het project nog liet interviewen is niet aanwezig. Hoe komt dat vraagt de interviewer? Er worden wat vage excuses gemompeld, maar niemand weet er echt een antwoord op.

Niet zo vreemd dat één van de workshops van de avond gewijd is aan de vraag hoe allochtonen er bij te betrekken. Aan het eind van de avond somt de gespreksleidster van deze workshop een aantal suggesties op die tot een betere deelname van allochtonen moet leiden. Haar enthousiasme is aanstekelijk. Ze doet ook zinnige voorstellen. Toch raak ik er niet van overtuigd dat haar suggesties tot een grotere deelname van allochtonen zal leiden. Iets in haar presentatie zit mij iets dwars, maar ik kan het niet onder woorden brengen.

Aan het eind van de avond spreekt de directeur van de school waar we te gast zijn. Weer een enthousiast verhaal. Met verve vertelt hij hoe zijn staf en hijzelf de honderden leerlingen van zijn school proberen op te vangen en verder te helpen. Dat is niet eenvoudig. De meeste kinderen zijn reeds beschadigd als ze op school komen. Het overgrote deel is van allochtone afkomst. Hij is er jaloers op, zo zegt hij, dat er deze avond zoveel bewoners gekomen zijn, die betrokken zijn bij hun eigen leefsituatie. ‘Was dat ook maar het geval met de ouders van mijn MBO-leerlingen.’ Hij ervaart de avond als een inspiratie om door te gaan met de pogingen ouders bij de school te betrekken.

Of hij geholpen is met de suggesties die uit de workshop gemeld werden, weet ik niet. Ik twijfel er sterk aan. Meer dan twintig jaar maak ik de ontwikkelingen in de stadswijken van Rotterdam mee. Toen ik begin jaren 80 begon, was de vraag al actueel hoe allochtone bewoners bij de stadsvernieuwing betrokken konden worden. Toen dachten we dat het wel zou komen als eenmaal de tweede of derde generatie de Nederlandse scholen hadden doorlopen. Mis, de vraag is nog steeds actueel. Hoe kan dat toch? De inspanningen van velen zijn oprecht en dikwijls goed onderbouwd geweest. De inleidster van deze avond is er het bewijs voor? Waarom lukt dat dan toch niet?

Na het indringende verhaal van de schooldirecteur wordt mij duidelijk wat mij in haar presentatie dwars zat. Dat is de vraagstelling van de workshop en het daaraan ten grondslag liggende onderzoek. De vraag is hoe het toch komt dat al die welwillende professionals en bewoners allochtonen niet kunnen bereiken? De oorzaak van het wegblijven van allochtonen wordt gezocht in de houding van de professionals en de bewoners. De vooronderstelling is dat verandering van hun houding drempelverlagend voor allochtone bewoners zal zijn.

Zeker de houding van de veelal Nederlandse bewoners en professionals is belangrijk. Ik zal het niet ontkennen. Toch lijkt mij dat in de verkeerde richting gezocht wordt. Dat moet na meer dan twintig jaar intensieve pogingen onder ogen gezien worden. Het wegblijven van allochtonen bij zaken die in onze ogen ook in hun belang zijn ligt niet in hoofdzaak bij de afwerende autochtone bevolking maar bij de allochtonen zelf. De oorzaak dat zij niet komen en zich niet betrokken weten bij deze zaken ligt bij hen zelf. Het is niet een kwestie van niet kunnen, maar van niet willen. Is de oorzaak niet veeleer dat de overgrote meerderheid zich niet betrokken weet bij de samenleving waarvan men deel uitmaakt? Zitten de meesten niet met hun gedachten heel ergens anders? Is dat de oorzaak dat zij die zaken waarvan wij vinden dat die in het belang zijn van bijvoorbeeld bewoners van wijken in verandering helemaal niet zo ervaren. Zij hebben kennelijk andere belangen.

Dat zijn geen nieuwe vragen. Vooral na de aanslagen op de Twin Towers kwamen deze vragen naar boven. De allochtone bewoner in onze samenleving was niet langer slachtoffer, maar werd op zijn handelen aangesproken. Dat debat is nog maar nauwelijks aan de gang, maar nu reeds is opnieuw een kentering voelbaar. Na de aanslagen in New York en vooral na de aanslag op Van Gogh is het debat hier in Nederland op stevige wijze gevoerd. te stevig vinden velen nu. Allochtonen zijn er door in het defensief gedreven. Opnieuw worden we opgeroepen naar onszelf te kijken. Dat allochtonen zich terugtrekken, is onze schuld.

Ik zou het jammer vinden als deze vragen weer uit het publieke debat verdwijnen. Ik heb er vooral een serieus nemen van allochtonen onder ons in gehoord. De toon mag dan zo af en toe scherp geweest zijn, de inzet leek en lijkt mij goed. Om de ander te leren kennen, is een stevig gesprek nodig. In een huwelijk lukt het zonder zo af en toe eens ruzie ook niet.

Er is nog een reden waarom een stevig gesprek nodig is. Die reden is nog veel belangrijker dan wat ik al noemde. Het is niet onwaarschijnlijk dat er onder allochtonen niet alleen sprake is van een onverschilligheid ten opzichte van de samenleving waarin zij verkeren. Die onverschilligheid komt ook onder autochtonen veelvuldig voor. Het kan ook zijn dat hun afzijdige houding te maken heeft met latente vijandigheid ten opzichte van de westerse samenleving.

Dat wordt ontkend als we in het publieke debat telkens opnieuw de vergelijking maken met zeerbehoudende christenen. We dulden toch ook de SGP? Waarom dan niet de afwijkende opvattingen van behoudende Imans? De ‘godsvrede’ die we in de Nederlandse geschiedenis als verworvenheid koesteren, moeten we niet te grabbel gooien. Respectabele gedachten als de vooronderstelling waar zou zijn dat de Islam, toch de godsdienst van veel allochtonen in ons midden, zo iets zou zijn als de SGP. Wie dat gelooft doet er goed aan het indringende boek van Betsy Udink te lezen.

Na deze lange inleiding ben ik waar ik waar ik wezen wil: de bespreking van ‘Allah en Eva’ van Betsy Udink. Uit deze inleiding moge reeds blijken hoe actueel dit boek is. Uit dit boek blijkt dat de Islam toch echt iets anders is dan de SGP en de geloofsrichting waar deze partij voor staat.

In haar boek doet Udink verslag van de reizen die zij door Pakistan maakt. Haar beschreven ervaringen zetten de discussie over de Islam in een bredere context dan de alleen de Nederlandse. De onder ons levende aanhangers van de Islam maken deel uit van een wereldwijde beweging. Dat vergeten we nogal eens als we het multiculturele debat in Nederland voeren. De bij ons gebruikelijke expliciete en impliciete manieren en gewoonten kunnen niet zo maar ook bij onze gesprekspartners voorondersteld worden.

In vrijwel elk hoofdstuk van haar boek laat Udink dat de lezer ervaren. Zij reist kris kras door heel Pakistan. Soms kan je je ogen niet geloven als je leest wat zij schrijft. Vrouwen die zonder enig pardon, verbrand worden. Geen incident maar veelvuldig voorkomende praktijk. Dat alles met de zegen van de Islamitische geestelijken. Hartstochtelijk rekent Udink af met het idee dat respect voor vrouwen in de Islam het uitgangspunt is. Onder dat mom worden vrouwen en meisjes gekleineerd en geschoffeerd. Het zet de discussie in Nederland over de handdruk van Verdonk en Beatrix in een heel ander licht.

Schokkend zijn de verslagen over de zogenaamde koranscholen waarin jongetjes geïndoctrineerd worden. In ongeveer 5 jaar leren zij de koran uit hun hoofd. Dat wil zeggen, zij leren de teksten zonder enig benul van de inhoud van de teksten. De teksten worden er veelal letterlijk ingeramd door leraren die op hun beurt ook geen idee hebben wat de vreemde Arabische woorden die zij geleerd hebben betekenen.

Ook de idee dat de Islam voor de armen van de wereld het nog enige reële alternatief voor het westerse kapitalisme is, wordt door haar onderuit gehaald. Zij beschrijft hoe zij op haar reizen de verrijking en de minachting voor het lot van de armen ziet. Rijke islamitische heersers die grote gebieden voor hun privé hobby’s gebruiken met instemming van de plaatselijke islamitische geestelijkheid en bestuurders. Het idee wordt door hen met alle retoriek in stand gehouden, maar is in de praktijk dekmantel voor verwaarlozing en desinteresse voor de noden van de bevolking.

Uit haar boek blijkt een geweldige kloof tussen onze wereld en de wereld van de Islam, waarvan ook een groot deel van de onder ons levende Moslims deel uit maken. Niet alleen een kloof, maar vijandigheid. Het Westen is de boosdoener, terwijl de bovenlaag in alle opzichten ervan profiteert. Alles wat met het westen enigszins verbonden is, heeft het zwaar in Pakistan. Dat geldt ook voor de kleine Christelijke minderheid en de islamitische oppositie.

Nu kan men tegenwerpen dat dat alles met de Islam zelf niets te maken heeft. Het gaat hier om volksgebruiken. Het kan zo zijn, maar het reisverslag van Betsy Udink, geeft voorbeelden te over hoe zeer de Islam zich met deze gebruiken moeiteloos verbindt. Er is nauwelijks sprake van een actief vanuit de kern van de Islam tegenspreken van de mensonterende zaken die zij op haar reizen tegenkwam.

Het boek van Udink is een waarschuwing om de non participatie van grote groepen Moslims in onze samenleving niet te veronachtzamen. Het waarschuwt ons ervoor de oorzaak daarvan niet alleen bij onszelf te zoeken, maar ook en misschien wel juist bij Moslims zelf. Haar boek laat er geen twijfel over bestaan dat dat een stevig gesprek zal zijn. Betsy Udink heeft een indrukwekkend en moedig boek geschreven. Lezen dus!

At Polhuis

Betsy Udink, Allah en Eva. Uitg. Augustus Amsterdam. ISBN. 90 457 0007 7

In de Waagschaal, nieuwe jaargang 35, nr. 9. 1 juli 2006