Een zachtmoedige revolutie

Het boekje van Wilken Veen over de theologie van Bert ter Schegget heeft mij getroffen. Al lezend hoor je Bert en voel je opnieuw het verdriet dat hij er niet meer is. Dit betekent dat Veen er in geslaagd is met weinig woorden de kern van wat Bert dreef te raken. Knap! Ik val dan ook van harte Kopmels bij die in een eerdere nummer van In de Waagschaal het boekje positief recenseerde. (nr. 10,2007)

Het boekje heeft mij ook geraakt omdat het precies een deel van mijn eigen theologische biografie onder woorden brengt. Het beroep op de stad der toekomst, Partijgangers der armen, De andere mogelijkheid, het lied van de Mensenzoon, Kernwoorden bij Marx, het waren boeken die je inspireerden. Voor je eigen theologische bestaan, de prediking, het kringwerk, de catechese waren zij richtingbepalend. Ik herken het allemaal weer als ik de samenvatting van Veen lees. Het revolutionaire elan van die dagen, de verwachting waarin wij leefden dat een betere wereld mogelijk en nabij was.

Dat was mijn ene leeservaring. Ik had ook een andere. Al lezend voelde ik een grote afstand tot dat wat mij toen inspireerde. Ik las de tekst als een echo uit een lang vervlogen tijd. Wat is het heden anders dan toen? Hoe dicht zijn theologie in die dagen bij het tijdsgevoel lag, zo ver staat zij daar nu van af. Toen was het spreken over de revolutie bijna vanzelfsprekend, nu klinkt het vreemd. Al lezend merkte ik dat al lang niet meer daarover sprak of dacht. Dat bracht mij in verwarring. Had ik mij ongemerkt toch aan de bestaande orde geconformeerd? Was ik in de loop der jaren van het door Ter Schegget uitgezette spoor afgeraakt? Moest ik het boekje van Veen verstaan als aansporing om terug te keren tot wat eens wezenlijk voor mij was, om de thema´s van toen te hernemen?

Die vragen hebben mij bezig gehouden en houden wij, als ik eerlijk ben, nog steeds bezig. Toch kan ik niet zonder meer terugkeren naar het ´verloren paradijs´. Zo simpel is het niet. Hoe dierbaar de taal van Ter Schegget mij ook is, ik kan in het heden het niet meer zo zeggen. Daarmee zou ik kunnen afsluiten. Wat voor mij persoonlijk geldt, hoeft niet voor anderen zo te zijn. Dat is waar, maar toch schrijf ik verder. Ik denk dat we als kerk, als dominees het niet meer kunnen zeggen zoals Bert dat toen nog wel kon.

Ik probeer in dit artikel onder woorden te brengen waarom ik op een beslissend punt afstand neem van de theologische inzet van Ter Schegget. Hoe vreemd het ook klinkt, ik doe dat ook als eerbetoon aan Bert. In woord en gesprek roept hij op steeds opnieuw na te denken over de vraag wat er in de concrete situatie van ons gevraagd wordt. In de samenvatting van Veen: ´Het gaat om een voortdurende toetsing, waarbij de telkens veranderende politieke omstandigheden steeds opnieuw dringen tot de vraag, wat is hier en nu de ´goede´keuze? Wat is de keuze die in overeenstemming is met mijn geweten en met hoe ik begrijp, dat Gods wil in deze situatie gedaan moet worden´. (p. 35)

Hij zelf heeft zich daaraan gehouden. Ik verwijs daarvoor naar het mooie stuk dat zijn dochter Elfriede in In de Waagschaal over haar vader schreef. (nr. 10, 2007). Zij brengt, wellicht onbewust treffend het punt onder woorden waar het in de huidige bezinning op de theologie van Ter Schegget om dient te gaan. Zij verwijst naar de teleurstelling die Bert in Nicaragua opdeed. ‘Daar zag hij hoe het socialistische experiment totaal mislukte en aan corruptie ten prooi viel. Dat heeft hem zo ongeveer de laatste hoop dat het in ieder een stap in de goede richting zou kunnen betekenen ontnomen´. Bleef hij in zijn teleurstelling steken? Elfriede vertelde dat het even duurde voordat hij weer op gang kwam. Begrijpelijk, want zo eenvoudig is het niet om opnieuw positie te kiezen binnen veranderde politieke omstandigheden. Toch deed Bert dat. Ik citeer Elfriede opnieuw. ´Aan het eind van zijn leven zei hij de parlementaire democratie in combinatie met het kapitalisme de beste staatsvorm te vinden die we tot nu toe kennen. Niet de goede dus, maar iets beters hebben we (nog) niet´.

Bert is er niet mee aan toe gekomen dit resultaat van zijn overwegingen theologisch te onderbouwen. Toch lijkt het mij dat het precies om dit punt in het theologische debat van dit moment dient te gaan: de parlementaire democratie. Niet de revolutie, maar de parlementaire democratie is het waar ook theologisch voor op gekomen moet worden. Juist om die reden kan ik zelf Ter Schegget zoals ik die heb leren kennen in de roerige jaren 70 en 80 niet meer in het heden nazeggen. Juist omwille van de parlementaire democratie moet de revolutionaire inzet gekritiseerd worden. We doen er goed aan als theologen niet meer in termen van revolutie te denken, ook niet als die zachtmoedig genoemd wordt.

Veen typeert de theologie van Ter Schegget met de woorden zachtmoedig en revolutie: de zachtmoedige revolutie. Het lijkt mij een juiste typering. Zo heb ik het zelf ook verstaan. Ter Schegget was een revolutionair, maar niet in de gebruikelijke zin. Hij wilde en verlangde naar een grondige verandering van de bestaande orde die zo in het nadeel van de armen en ontrechten is. Die verandering moest komen van deze armen zelf. Het is niet voor niets dat hij naar Nicaragua ging. Die revolutie zou komen. Aan het komen daarvan moest meegewerkt worden. In de klassenstrijd moest positie gekozen worden. ‘Van het bestaan van klassentegenstellingen en dus ook klassenstrijd is Ter Schegget toen overtuigd geraakt en daar is hij ook nooit op terug gekomen.´(Veen, p. 23) In die strijd hoort de gemeente aan de goede kant, de revolutionaire kant te staan. Ter Schegget weet ook van het geweld van de revolutie. Als de gemeente aan de goede kant staat, dient zij, wetend van Gods revolutie, in de revolutie op te komen voor de zachtmoedigheid. De gemeente is de kritische partner in de strijd, er voor strijdend dat de revolutie niet ontaard, maar revolutionair blijft, gericht op de armen en ontrechten.

Nu jaren later weten we ondertussen wel beter. Bert leerde het in Nicaragua. Revoluties zijn niet zachtmoedig en zullen dat ook nooit zijn. Revoluties zijn gewelddadig. Het is mooi om te denken dat de gemeente een kritische partner is en binnen de revolutie kan opkomen voor zachtmoedigheid. Toch lijkt het mij dat we dat niet meer kunnen zeggen. Zo spreken over de revolutie is een romanticisme. Dat dient af gewezen te worden. Dan komt opnieuw de vraag op of de gemeente en of de theologie zich met revoluties kan verbinden? Mijn antwoord daarop is ondubbelzinnig nee.

Kan dat zo gezegd worden? Was bij Ter Schegget het spreken en denken over de revolutie niet gewekt door het mede-weten van de alles veranderende omwenteling, Revolutie Gods? ´Zonder geweten geen revolutie’ (Veen, p.16) Hier lijkt inderdaad een probleem te ontstaan. Dat er een God is en wel de God die in de bijbel ons verkondigd wordt, is het alles veranderende feit. Met recht kan er over een revolutie gesproken worden. Maar ook van deze revolutie moet gezegd worden dat zij niet zachtmoedig is. Er wordt in dit verband over oordeel, vuur, vergaan gesproken. Die revolutie heeft zich voltrokken en is bezig zich te voltrekken. Het lijkt mij theologisch zeer de vraag of onze revoluties naar deze revoluties verwijzen of dat ons medeweten met Gods revolutie ons tot revolutionairen maakt.

Ligt dat toch niet anders? In de geweldige omwenteling worden wij bewaard. Dát is wat ons verkondigd wordt. In dit oordeel gaan wij niet ten onder. Een teken van deze bewaring is de staat. Door Barth niet voor niets christologisch gefundeerd en dus benoemd als weldaad. We worden door het medeweten met Gods revolutie niet tot revolutionairen gemaakt maar tot trouwe onderdanen, die zich niet omwille van de angst voor het oordeel onderwerpen, maar omwille van ons geweten.

Om deze reden en de eerder genoemde dat de revolutie nooit zachtmoedig is, lijkt het mij goed dat we in ons theologische spreken voorlopig niet meer over revolutie spreken. Het is theologisch onjuist en in de huidige politieke en maatschappelijke context ongewenst en zelfs gevaarlijk. Het verhoogt op onverantwoorde wijze de druk op de wankele positie van de parlementaire democratie. Ik moet er niet aandenken wat er gebeurt als die zou bezwijken. De armen en geringen zullen er zeker niet beter van worden.

Net als Ter Schegget kom ik uit bij de parlementaire democratie. Wij zijn als christelijke gelovigen geroepen om daarvoor in te staan. Omdat dat de beste staatsvorm is die we tot op heden hebben. Dat betekent compromissen sluiten, moeizame onderhandelingen. Dat vraagt geen idealisme, maar realisme. Het gaat om met J.J.A. van Doorn te spreken om ´de uitoefening van de macht ten dienste van leefbare verhoudingen in een maatschappij vol tegenstellingen en conflicten´(Trouw, 7 okt. 2006)

Wat blijft er dan over van de noodzaak om het systeem te veranderen? Ja dat vuur blijft wel branden, want het onrecht is groot in onze wereldorde. In het democratische proces blijven wij op zoek naar de grenzen om op te komen voor armen en geringen in onze samenleving, maar vooral wereldwijd.

At Polhuis