Geweldloze religie

De eerlijkheid gebiedt te zeggen, dat ik nog nooit van Abraham Heschel gehoord had. Ik moet het dus doen met de citaten, opgenomen in de Vredesspiraal van voorjaar 2008. Daarin staan mooie dingen. Wat kan je anders verwachten van iemand die zij aan zij met Martin Luther King voor de zwarte burgerrechten gedemonstreerd heeft? De verschillende commentatoren die in het nummer aan het woord komen, halen hem dan ook allen in positieve zin aan. Er is één uitzondering: Guus Kuijer. Hij laat weet, dat hij, zou hij reageren, hij dat met veel tegenspraak zou doen. Hij doet het niet, omdat hij niet met aardige gelovigen wil kissebissen. Daarmee zet hij mij voor een lastig dilemma. Ook bij mij roepen de citaten van Heschel tegenspraak op en niet alleen de citaten maar ook de commentaren. Ook ik vind de commentatoren, voor zo ver ik ze ken, aardige gelovigen. Toch kan ik mijn mond niet houden. Niet alleen omdat de redactie mij uitdrukkelijk vroeg te reageren, maar vooral omdat het punt waar het mij om gaat mij in het hedendaagse debat van belang lijkt.

In het afgelopen decennium zijn we in onze eigen samenleving sterk bepaald bij religieus geïnspireerd geweld. Daaronder versta ik voor het gemak geweld dat voortkomt vanuit een door de dader aangehangen hoger doel. Dat kan God zijn, maar ook het opkomen voor milieu. Mohammed B. en Volkert van de G. zijn de voorbeelden.

Het is opvallend dat de vragen die dit geweld oproepen bijna onveranderd onschadelijk gemaakt wordt met een beroep op de ´zuiverheid´ van de betrokken religie. Geweld hoort niet bij de kern van het geloof. Het zijn ontsporingen. Hoewel iemand als Mohammed B. nu juist betoogt dat zijn daad de zuivere Islam weerspiegelt en hij de lauwe houding van zijn medegelovigen kapittelt, ben ik bereid aan te nemen dat in de kern geen enkele religie geweld predikt. Toch betekent dat niet dat we gerustgesteld achterover kunnen leunen. Op z´n minst moet toch de vraag gesteld worden waarom mensen als Mohammed B. met een beroep op God zo kon ontsporen? Heeft dat misschien te maken met de structuur van het religieuze denken?

Ik bedoel daar dit mee. We kunnen wel hele mooie dingen zeggen, maar de structuur van ons denken kan toch geweld in zich dragen. Het lijkt mij dat wij ons, ook als Christenen, diepgaand over deze vraag moeten bezinnen. Kortom, veel radicaler dan nu het geval is, moet de vraag naar het geweld, juist ook in ons religieuze denken, aan de orde komen. Om dit punt gaat het mij. Daarom reageer ik, anders dan Kuijer, toch op de citaten van Heschel. De structuur van zijn denken heeft onbedoeld het zuurdesem van het geweld in zich, ondanks de goede dingen die hij zegt. Ik zeg het in bescheidenheid, want nogmaals, ik moet het alleen doen met de gegeven citaten.

Kern bij Heschel is de vraag: Wat verlangt God van de mens? Uit de andere citaten wordt wel duidelijk, dat dat heel wat is. Er wordt gesproken over opoffering, gehoorzaamheid, zedelijke en geestelijke vervoering, fundamentele betrokkenheid. Allemaal deugden waaraan de ´gewone´ mens niet van uit zichzelf voldoet. Integendeel, als het aan ons ligt liggen we liever aan het strand, genietend van de vleespotten, ongevoelig voor het kwaad. We bevredigen liever onze eigen behoeften, dan te doen wat God van ons vraagt. Wat God van ons verlangt, wordt beschreven in de bijbel.

Onderwezen door Krijn Strijd weet ik van de argwaan die ethisch op zijn plaats is. Freud en Marx prikten de mythe door dat in het hogere God sprak. Het zijn vaak ethische idealen van onszelf waaraan ons ondergeschikt maken, psychologische en maatschappelijke projecties. Zo wordt uit de citaten volstrekt niet duidelijk welke God spreekt en hoe en waar Hij dan wel spreekt. Zou het niet kunnen zijn dat wij zelf in wat ´God vraagt´ aan het woord zijn?

Het zijn maar weinigen die aan dit ideaal kunnen voldoen en niet toevallig zijn dat bijna altijd degenen die deze stellingen poneren. Wel niet volmaakt, maar wij proberen het toch in ieder geval om met onze moslimse broeders en zusters samen te leven, niet te vervallen in ´populisme´, ons te ontworstelen aan de ´commune van Indiase mantrazangers´. Het zijn de anderen, die met mededogen weliswaar, maar toch de maat genomen wordt.

Als die oproep niet gehoord wordt, wat dan? Als de ander blijft volharden in zijn gedrag dat niet voldoet aan het verlangen van God? U voelt wel dan is geweld niet ver weg. Of met je niet zeggen dat in deze denktrant de ongelijkheid en het geweld al ingebakken is?

Anders wordt het, wanneer begonnen wordt met de bijbel als Woord Gods dat tot mensen gesproken wordt. In dat Woord maakt God zich geheel en al bekend aan ons. Het is verrassend wat we dan horen. God zelf voltooit het project waaraan wij ons telkens weer vertillen. Het project van de menselijkheid. Juist in onze pogingen die te realiseren verspelen we de gewilde menselijkheid telkens weer. Die paradox wordt doorbroken, zo wordt ons verkondigd. In Jezus Christus richt God de menselijkheid op. Daar hoeven we geen titel of jota meer aan toe te voegen. De pretentie alleen al verbreekt de solidariteit van mensen onder elkaar. U niet en ik niet, wij moeten niet de pretentie hebben menselijk te kunnen leven, geweldloos, op de ander gericht. Wantrouw jezelf, lijkt mij hier een inderdaad een gulden regel. Ik ben geen haar beter dan de luiaard die aan het strand ligt, of moeite heeft met zijn moslimse buren.

De menselijkheid wordt ons geschonken. We mogen er van getuigen en zo af en toe, tot onze verrassing een teken van zien. Anders gezegd, we zijn niet geweldloos. We mogen er met elkaar naar zoeken. We zijn van nature geneigd onze naaste niet te beminnen. Dat onderkennend maakt de weg naar elkaar, naar de ´gewone mannen/vrouwen´ vrij. Dan kan er in solidariteit gezocht worden naar een weg naar de ander.

Samenvattend. Heschel zegt mooie dingen, maar zijn inzet zal radicaler doordacht moeten worden. Het begin van die doordenking is niet de vraag wat God van ons verlangt. Begonnen dient te worden met wat tot ons van Godswege bevrijdend gezegd wordt. Dan is er een kans dat er een (theologische) ethiek ontstaat die tot in zijn structuur geweldloos en dus menselijk is.