God en Bush

Het is een boeiende discussie die door de vragen van Patijn ontstaan is. Geloven we nog in God die Heer van de geschiedenis is? De bijdragen die tot op heden zijn, zijn de moeite waard. Toch bevredigen zij mij niet. De vraag van Patijn wordt wel opgepakt, maar slechts in één richting beantwoord. Het gaat vooral om de theologische vragen. Wie is God en hoe manifesteert Hij zich. Om het profaan te zeggen. Er wordt wel aangegeven hoe er gezwommen moet worden, maar gezwommen wordt er niet. God is wel in de geschiedenis aanwezig en we moeten daardoor nuchter de feiten bekijken, maar de feiten komen nog niet erg aan de orde. De voorzienigheid wordt geprezen, maar wat dat in concreto betekent niet verkend. In deze bijdrage probeer ik de vraag van Patijn te beantwoorden door vooral naar de feiten te kijken. Om het anders te zeggen om van de letters die in onze geschiedenis geschreven staan de woorden van Gods regering te vormen. Daaraan voorafgaand twee inleidende opmerkingen.

Deze zomer preek ik uit het boek Daniël. Hoofdstuk vijf lezend word ik geraakt door de raakvlakken met de discussie in In de Waagschaal. Daniël is de enige die de tekens aan de wand kan verklaren. Hij vormt van de letters leesbare woorden die Gods regering bekend maken. Een interessant hoofdstuk dus. Wat mij vooral in dit hoofdstuk trof waren de uitspraken die Daniël doet over koning Nebukadnezar. De macht die hij heeft is hem door God gegeven. Daardoor beven de alle volken en natiën. Hij doodde wie hij wilde en liet leven die hij wilde. Het is een aardige leesoefening om in plaats van Nebukadnezar George Bush te lezen. Hij verhief wie hij wilde en vernederde wie hij wilde. In de woorden klinken de willekeur door die bij elke machthebber horen. Pas op het moment dat Nebukadnezar zich aan God vergrijpt door op zijn plaats te gaan zitten, wordt hem zijn macht ontnomen om uiteindelijk weer in zijn machtspositie hersteld te worden.

Er vallen mij een paar dingen in deze tekst op. Allereerst het ontbreken van enige goddelijke afkeuring van de willekeur. Het is dus maar de vraag of daarin de goddelijke regering zichtbaar wordt. Dat moet voor onze oren vreemd klinken. De afgelopen decennia hebben we vooral over God gesproken als de partijganger der armen. Ik zal de laatste zijn om te ontkennen dat Hij dat niet is. Toch is het de vraag of daarmee alles gezegd is. In de tekst uit Daniël speelt het geen rol. Reken maar dat de armen ten tijde van Nebukadnezar niet veel beter af waren dan in onze dagen. We moeten de vraag onder ogen durven zien of het spreken over God als de partijganger der amen het spreken over de bemoeienis van God in de wereldgeschiedenis niet bemoeilijkt heeft. Ik denk aan een soortgelijke discussie in het pastoraat over God die aan de kant staat van de treurenden. Ongetwijfeld waar, maar als dat het enige is, blijven we problemen houden met de aanwezigheid van God in het kwaad. Daaraan vasthoudend wordt God hooguit een tragische figuur die in alle schoonheid van de solidariteit machteloos blijft. De tekst uit Daniël zet op ons op het spoor over de Gods regering veel breder in te zetten dan alleen als partijganger der armen. Dan spreken we over Nebukadnezar en Bush, over de wereldgeschiedenis in al zijn ruigheid. Dan zijn we met Bush niet klaar als we constateren dat hij geen partijganger der armen is. Dat is te simpel. Daar hangt zijn functioneren in de regering Gods niet van af. Als we van de letters in de wereldgeschiedenis woorden willen vormen om Gods regering op het spoor te komen kunnen we niet om Bush en zijn politiek heen; om de wereldpolitiek in onze dagen, om de analyse wat er heden ten dage aan de hand is.

Daniël ontwaart in de tekens de woorden Gods in de geschiedenis. Dat doet hij niet omdat dat een ingeboren gave van hemzelf is. Hij weet uit zichzelf niet meer dan de wijzen van Nebukadnezar. Als hij de tekens verstaat, is dat omdat het hem door de Geest des Heren ingegeven wordt. In zijn bijdrage aan het gesprek verwijst Spijkerboer naar de lezing van Barth uit juli 1944. Daarin legt Barth verantwoording af van wat hij, als gelovige, in de wereldgeschiedenis gezien heeft. Het is, ook nu nog, een indrukwekkend getuigenis. Voor het thema dat ons bezighoudt een citaat, dat veelzeggend is. De gemeente ziet in wat er gebeurt meer dan de feiten. Nee, zegt Barth, ‘zij kan lezen. Zij heeft de belofte, dat zij dat kan, en als zij deze belofte op de juiste wijze erkent, aangrijpt en in gebruik neemt, dan kan zij niet alleen lezen, dan verstaat zij dus iets van datgene, wat heden gebeurt: niet alles, maar ook niet niets, slechts weinig, maar juist de hoofdzaak, juist genoeg, om in dat wat er gebeurt de regerenden God te herkennen’. Wat hij dan ziet beschrijft hij in de pagina’s die volgen. Om ons zelf weer te oefenen in het lezen is het goed om te horen wat Barth dan in de geschiedenis gelezen heeft.

Centraal in wat Barth beschrijft is het lot van de Joden. Dan komt Barth tot uitspraken die on-barthiaans in onze oren klinken. In de strijd van de geallieerden, in de oorlogshandelingen is God aanwezig. Het is het bewijs van Gods trouw aan zijn volk. Letterlijk spreekt Barth in dit verband over het godsbewijs. Dat is de nederlaag van het Duitse volk. ‘De Duitsche onderneming bestond in zijn kern en wezen – en dat is juist de Duitsche oplossing van het Joodsche vraagstuk – daarin , dat zij in Gods regering wilde ingrijpen’. Dan komt God in aktie. ‘Al het bewapenen, al het schieten …van de verontruste en verontwaardigde volken er om heen (was) toch slechts de uitvoering van een besluit, dat van te voren vaststond, louter letters, die samen den zin, het godsbewijs vormen, dat ons nu wederom eens duidelijk voor oogen staat: Ik ben de Heere!’.

Nu we zelf voor de opgave staan in onze tijd de letters te lezen gaat het er niet om Barth te kopiëren. De tijden zijn anders, maar we hoeven ook weer niet zo eigenwijs te zijn niet van onze voorgangers te leren. Het lijkt mij dan ook niet zo vreemd in te zetten bij wat voor Barth de kern van zijn leesoefening is: de Joden. Dat God regeert wordt voor hem zichtbaar aan wat er met hen gebeurt. Gods belofte, dat Hij regeert, wordt manifest als zij in het geding raken. Dat is de reductie die Barth in zijn analyse toepast. Niet de solidariteit met de armen, niet de omgang met de machtsvraag, niet het gebruik van geweld of dat proportioneel is of niet raken de kern. Gods regering wordt voor hem zichtbaar waar de Joden in het geding zijn.

Mijn voorstel is om in onze tijd daar te beginnen waar Barth geëindigd is: bij het ‘Joodse vraagstuk’ in onze dagen: de strijd om Israël. Misschien ontwaren we daar de letters, de tekenen aan de wand, die de woorden van de regering Gods in onze dagen vormen. Me dunkt, dat er in onze dagen genoeg daaromtrent te zeggen is. Om een voorzet voor de discussie te geven, zet ik enigszins provocerend in. Gaat het in de strijd om de staat Israël niet ten diepste weer om de oplossing van het Joodse vraagstuk? Moet daar de discussie in de kerk niet overgaan, meer dan over de vraag of er door Israël proportioneel of disproportioneel geweld gebruikt wordt? Betekent de vrede die vanuit radicale islamitische groepen voor Palestina gezocht wordt niet het herwinnen van heel Palestina voor de Islam en dus het verdrijven van de Joodse staat en de Joden? Is er hier sprake van een vergrijpen aan wat de eer van de Here God is? Wordt er in het verzet van Israël daartegen, gesteund door het Amerika van Bush, niet iets zichtbaar van de letters die de Heer in de geschiedenis schrijft, dat er met Hem niet te spotten valt: Ik ben de Heere! ‘Iedere natie die werkelijk een voorstander is van vrede moet een eind maken aan de stroom aan geld, middelen en mensen, die vloeit naar terroristische groeperingen die uit zijn op het vernietigen van de staat Israël, waaronder Hamas, Islamitische Djihad, en Hezbollah. Iedere natie die voorstander is van vrede moet de scheepsladingen met Iraanse voorraden voor deze groeperingen stoppen en zich verzetten tegen regimes die het terrorisme steunen, zoals Irak. En Syrië moet de goede kant kiezen door terroristische trainingskampen te sluiten en terroristische organisaties het land uit te zetten’. Woorden van George Bush uit juni 2002. Letters in onze tijd, waaruit we woorden van de regering Gods lezen?

Ik besef heel goed dat dit indruist tegen wat voor velen van ons geldt. Ik kan mij zelf ook nauwelijks voorstellen deze zinnen te schrijven. Toch moeten we de lef hebben in onze tijd de tekenen en de letters te onderscheiden en te lezen. Dan gaat het om concrete zaken die in de geschiedenis plaatsvinden. Alleen daar is de Here God voor ons te vinden.

At Polhuis

In de Waagschaal, jaargang 35, nr. 12. 2 september 2006