Heldendom wordt niet gevraagd

Dick Boer heeft een verdrietig en teleurgesteld boek geschreven. Waar hij in zijn leven voor gestaan heeft of beter de bewegingen waarin hij actief geweest is, zijn mislukt. Dat geldt voor de kerk. Het geldt ook voor de socialistische/communistische revolutie. In het Oude Testament wordt geschreven over de Thorarepubliek, over de menselijke samenleving. De conclusie kan geen andere zijn, dan dat dit ideaal niet gerealiseerd is. In het NT wordt niet een nieuw ideaal, maar wel een nieuwe strategie gepresenteerd om het ideaal te bereiken, maar ook die strategie faalt door de nalatigheid van die groep die deze strategie ten uitvoer had moeten brengen: de gemeente, de kerk. In het boek worden telkens parallellen getrokken met het socialistisch/communistische experiment. De enige historische poging om het ideaal naderbij te brengen, maar ook dat is in de woorden van Boer mislukt, door interne factoren, maar vooral omdat het in de wereld van de machten niet mocht slagen.

Het enige dat rest is de hoop dat er ergens in de wereld opnieuw iemand opstaat, die, in woord en daad van een grenzeloze solidariteit, gelooft in een andere wereld, in een andere kerk dan de reëel bestaande. Je weet maar nooit. Het zal de belangrijkste drijfveer voor het schrijven van dit boek geweest zijn. Waar anders kan je deze grenzeloze solidariteit, de bevrijding van de slavernij leren dan in het OT en NT?

Hoezeer ik met Boer mee verlang naar een humaner en rechtvaardiger samenleving en hoezeer ik het met hem eens ben dat de bewegingen die dat ten doel hadden tot op heden mislukt zijn, toch kan ik zijn (impliciete) oproep niet versterken om nu eens eindelijk ernst te maken met de opdracht van Christenen om een nieuw begin te maken. Zo versta ik het boek. Het is een lang pleidooi, met verve en vaart geschreven, om de menselijke mogelijkheid serieus te nemen. Het is mogelijk, dus doe het! Neem deel, begin met het project van de verlossing uit de slavernij. Ik blijf na lezing met een gevoel en een vraag achter. Die probeer ik in dit artikel te benoemen.

In zijn boek noemt Boer de dodelijke vaststelling door de gojim, dat de Thora mensen ethisch overvraagt (319). Boer bedoelt het anders, maar toch is dat precies wat de lezing van zijn boek bij mij opriep. Ik voel mij verpletterd. Er worden mij, algemener ons, lasten opgelegd die ik, die wij niet kunnen tillen. Onder de verwachtingen die op mensen geprojecteerd worden, bezwijk ik. Ik weet nu al dat ik die niet kan waarmaken, dat niemand die kan waar maken. Is dat nu juist niet de les die we in het OT leren Uiteindelijk niemand heeft het kunnen waarmaken. De Thora republiek is er niet gekomen. Uit dit falen wordt nergens een conclusie getrokken. Het falen is er door onwil, gemakzucht van mensen. De mogelijkheid dat het niet tot de competentie van de mensen behoort, wordt niet in de beschouwing opgenomen. In principe kan het, de mens is er toe in staat.

Zo lees ik de bijbel niet. De revolutie is vooral een revolutie Gods. Door deze revolutie krijgen wij hoop. Deze revolutie is de grond van onze hoop. Theologisch gezegd, de wet, de Thora wordt niet – en ik voeg toe – kan niet door ons vervuld worden. Daarvan is ongewild ook de bijbelse theologie van Boer een bewijs. Als daarin iets duidelijk wordt, is het dat het ons niet gegeven is de wet te houden. Daarmee worden we overvraagd. Op dit punt zal het gesprek nader gevoerd moeten worden. Er staat veel op het spel. Boer geeft daar zelf een voorbeeld van in zijn exegese van Romeinen 13. De christen is geen burger die zich in het democratische spel begeeft, maar blijft de revolutionair die zich strategisch even gedeisd houdt. (Opvallend in dit verband is dat hij wel de eerste druk van Barths Römerbrief citeert, maar niet zijn tweede druk, waarin Barth juist afstand neemt van het heroïsche karakter van de 1e druk.)

Zoals zo vaak valt in de christelijke theologie de beslissing in de Christologie. Daarover komt Boer in de slothoofdstukken van zijn boek te spreken. Jezus Christus is voor Boer het absolute novum. Hij is onverwacht degene die de Thora doet. De vastgelopen geschiedenis verkeert door Hem heilzaam in haar tegendeel. Een nieuwe exodus is het gevolg. De vraag is dan wie is hij die de Thora doet? Boer merkt daar het volgende over op: ´´Jezus´ is in geen enkel opzicht het resultaat van de eigen inspanning van het reëel bestaande Israël, de verdienste van zijn bevrijdingsbeweging´ (323). Hij komt dus niet uit hen op . Hij is een creatio ex nibilo. Zijn komst is genade. In de grenzenloze solidariteit van Jezus heeft de solidariteit van de ´gans andere´ God van Israël een menselijke gestalte gekregen. Dat is het geloof van Paulus en met hem dat van de kerk.

Hier wordt veel gezegd, maar net niet genoeg. Is de genade nu juist niet, dat het God zelf is, die in deze mens ingrijpt in de geschiedenis van de mens? Doorbreekt in Hem de goddelijke geschiedenis niet de menselijke historie? Als dat zo is, dan kan er gesproken worden van genade. Dan valt ons iets ten deel, wat in geen enkel opzicht met ons verbonden is. Juist dit goddelijke ingrijpen openbaart ons wie God is? In juist dit goddelijke ingrijpen manifesteert God zich.

Hoewel Boer mooie en treffende dingen over God zegt, zegt hij dit beslissende niet. Bij hem blijft Jezus de verrassend nieuwe inzet, die met vreugde door God begroet wordt. Dat is toch wat anders dan dat God zelf ingrijpt in de menselijke historie. Als Jezus, volgens Boer, de verrassend nieuwe inzet is, verrassend omdat het niet verwacht werd gelet op het menselijke falen, kan het opnieuw zo maar op eens weer gebeuren. Jezus is immers de mens die heeft bewezen dat het mogelijk is om tot het laatste toe solidair te zijn, maar ´hij is niet enig in zijn soort´(365). Vandaar de oproep trouw te blijven aan hem en zijn programma. Dat wordt het parool. Belijden is ´doen wat hij ons heeft voorgedaan (354).

Daar zit voor mij de crux, de kern van mijn kritiek. Voor mij is, zoals ik de Schrift lees, Jezus nu juist wel enig in zijn soort. Van Hem alleen wordt gezegd dat Hij de weg, de waarheid en het leven is. Niet wij zijn dat, noch onze wegen en waarheden. Niet wij gaan die weg, noch worden we opgeroepen die weg te gaan. Het is de weg van kruis en opstanding. De waarheid is nu juist dat Hij die weg gaat, Hij alleen. Juist omdat Hij die weg gaat, is het voor ons een weg ten leven. Zijn lijden en sterven is meer dan de tragische lijdensweg van een solidair mens, waaraan wij een voorbeeld kunnen nemen. Ik zeg het kort, maar dat is het wat ik bij Boer lees.

Om het nog eens klassiek te zeggen. In Zijn kruisiging gaat het om de diepe trouw van God aan ons. Ons zondig bestaan wordt door Hem gedragen. Hij neemt het in Jezus op zich. Kern van het geloof is dat wij belijden met Hem gekruisigd te zijn. Zo is zijn kruis ook een oordeel over ons, onze onmacht Zijn Koninkrijk op aarde te vestigen, over onze pretentie te denken dat we dat toch kunnen. Het is het oordeel dat ons telkens in het OT al aangekondigd wordt, waarin juist alle pogingen om een Thora republiek te vestigen in het tegendeel verkeren.

Deze kruisweg gaat de Here God in Jezus om ons te redden, ja om ons van deze frustratie te redden. Deze gekruisigde wordt door de Heer opgewekt. De nieuwe mens wordt door Hem en niet door ons opgericht, de mens die de Thora vervult en daardoor een menselijke mens, een stralende mens is. Genade is het dat wij in deze mens onszelf, nog levend onder het kruis, mogen zien. Zoals Hij is, zo zijn wij bij God en zo mogen we elkaar nu reeds aanzien.

Ik kan mij voorstellen dat Boer wat korzelig op deze kritiek reageert. In zijn boek haalt hij regelmatig uit naar de klassieke theologie, die het verzet eerder doofde dan stimuleerde. Het gaat mij zeker om de rechte bijbelse theologie, maar het gaat mij om meer dan dat. Het gaat mij ook om de juiste strategie van het verzet. Als we belijden dat we met Hem gekruisigd en met Hem opgestaan zijn, dan leidt die belijdenis direct naar een grote mate van bescheidenheid van onze kant. Ootmoed en nederigheid worden dan de kernwoorden, antiheroïsch. Wij veranderen de wereld niet, de wereld is veranderd, belijden wij. Wij hoeven de wet niet te vervullen, die is vervuld. Naar die vervulde wet mogen wij in bescheidenheid verwijzen, er dankbaar van getuigen. Gods revolutie heeft plaatsgevonden en daarvan mogen wij met bescheiden daden getuigen. Niet door onze eigen revoluties. Die verduisteren de grote revolutie. Zijn deze menselijke revoluties ondanks alle elan en moed en geloof niet het bewijs van ons ongeloof in God en ons geloof in onszelf?

Wij zijn uitgeleid uit de slavernij en waar slavernij is mogen we daar dankbaar op wijzen. Vooral door niet al te zeer mee te doen aan wat de slavernij in stand houdt. Dat kunnen we doen in het geloof dat het uiteindelijk niet van ons afhangt. Dat maakt ontspannen. Wij hoeven het novum van de nieuwe wereld in de oude wereld niet te laten doorbreken. Dat is al gebeurd. We hoeven er alleen maar zonder enige pretentie van te getuigen en dat is al heel veel.

At Polhuis

(In de Waagschaal, 2010)