Het goede zaad (Matth. 13)

De Heer geeft een advies dat geen tuinman zal geven: niet wieden, niet bestrijden, maar laat het goede en het kwade samen opgroeien tot de oogst. Het kwaad wordt niet bestreden. Dat werpt een bepaald licht op deze Heer.

De gelijkenis verkondigt zo aan wie oren om te horen heeft, wie God is. Is dat een God die afstand houdt tot het kwaad? Is dat een God die een scherpe scheiding aanbrengt tussen goed en kwaad? Neen! Zo’n God is het niet. Hij laat het goede en slechte zaad gezamenlijk opgroeien.

Hij is geen God, die zich verre houdt van wat in Zijn ogen onheilig is, vijandschap jegens Hem. Want dat is het onkruid dat gezaaid wordt. De God, die de gelijkenis ons verkondigd, blijft daar niet verre van. Hij gaat er in onder, zozeer zelfs, dat zijn goede zaad nauwelijks nog zichtbaar is.

Daarin zit misschien wel het grote onderscheid met al wie of al wat zich in onze wereld God of heilig noemt. Is het kenmerk van hen niet heel vaak dat zij juist afstand nemen van alles wat niet heilig is? Het goddelijke is heilig en mag onder geen beding ontheiligd worden. Daar gaat deze gelijkenis dwars tegen in. Het heilige vermengt zich met het onheilige.

Nog één stapje verder. Hij zaait het goede zaad in de akker, in onze wereld. Dat goede zaad, dat is toch zijn Naam, dat is toch zijn Zoon, zijn Woord in onze wereld? Is Hij nu zomaar zichtbaar in onze wereld? Geenszins! Hij is mens te midden van de mensen. Als Jezus Christus één van ons. Het goddelijke, het heilige, het goede is niet zomaar van Hem af te lezen. In Hem zoekt deze God juist het onheilige op. Zo wil Hij God zijn, als mens te midden van onheilige mensen. Wie Hem daarvan los wil maken, die Hem als Heilige apart wil zetten, tast juist Zijn heiligheid, Zijn God zijn aan.

Hij is onze werkelijkheid, de werkelijkheid van de vijand, de duivel, binnengekomen om daar zichzelf te zaaien. In onze werkelijkheid, in onze wereld is Hij aanwezig. Hij staat niet terzijde als de Heilige, kijkend naar ons. Nee, Hij is die werkelijkheid binnengekomen om te zegevieren. Dat is het goede zaad dat Hij gezaaid heeft. De Heilige, de goede God is ingegaan in onze werkelijkheid. Hij werd mens van hoofd tot voeten. In onze wereld is Hij tegenwoordig. Hij hield zich niet afzijdig, maar zet zich in om ons en onze wereld te redden. Op de paasdag van de oogst zal dat zichtbaar worden. Dan gaan zijn knechten uit om te oogsten.

De knechten zijn wij niet. Die pretentie moeten we laten varen. Wij scheiden niet tussen goed en kwaad. Dat kunnen we niet. Daarvoor zijn we te veel deel van het kwaad. Onze dadendrang wordt getemd. De gelijkenis is allereerst troost. Troost voor ons die de aangevochten worden door het kwaad. We zijn daarin niet alleen en aan ons zelf overgeleverd. Wie dat gehoord heeft kan getroost in de wereld van het kwaad getuigen van het goede zaad, dat Hij gezaaid heeft. Dat zaad zal samen met het onkruid opgroeien, maar op de paasdag van Zijn oogst zal het goede zaad geoogst worden.

 

(In de Waagschaal, jrg. 41, nr. 10. 13 oktober 2012)