Het menselijke tekort

er is iets aan de hand

Regelmatig woon ik in de wijk waarin ik werk het overleg bij, waarin de hulpverleners hun werk presenteren en met elkaar afstemmen. Het duizelt mij als ik de verhalen hoor. Op zo’n klein stukje stad zo veel mensen die zich inzetten voor anderen. Er is vrijwel geen terrein te noemen of er is wel een project of programma. Naast de reguliere hulpverlening is er nu ook hulpverlening voor mensen die door de reguliere hulp niet (meer) bereikt worden. Het is zo veel dat nu besloten is om een gids samen te stellen met alle projecten. Onder de indruk ben ik van de inzet en betrokkenheid van de hulpverleners. Ieder vertelt met enthousiasme zijn of haar verhaal. De laatste keer bezocht ik de bijeenkomst samen met mijn katholieke collega. Zijn opdracht is om diaconaal in de wijk aanwezig te zijn. Na afloop praten wij even met elkaar. De vergadering heeft hem een beetje onthutst. Wat moet de kerk nu nog? Er is geen braakliggend terrein dat nog diaconaal bearbeid kan worden.

Voor mij ligt een persbericht van de Ikon. De titel is veelzeggend. ‘Kerken moedeloos over vluchtelingenwerk’. Op dat terrein zijn de kerken al heel lang actief. Van dichtbij maak ik mee hoe diakenen zich voor vluchtelingen inzetten. Het vervult mij zelfs met enige trots op de kerk als ik zie hoe de kerk als enige instituut in de wijk in heel korte tijd vluchtelingen opvangen die uit andere plaatsen in de wijk gehuisvest worden. Vaak is één telefoontje van de diaken waarmee een vluchteling in de vorige woonsituatie contact had voldoende om diakenen hier in beweging te zetten. Andere hulpverleners zijn jaloers op dit landelijke netwerk. De moedeloosheid die Geesje Werkman namens de kerkelijke hulpverleners onder woorden brengt, herken ik ook bij de diakenen in mijn gemeente. Zij kennen de situatie van de asielzoeker, maar lopen tegelijk keihard aan tegen de regelgeving van de overheid, terwijl tegelijk het draagvlak voor dit werk in de samenleving, maar ook in de kerk afbrokkelt.

Twee voorbeelden uit de praktijk, die duidelijk maken dat er iets met het diaconaat aan de hand is. Enerzijds is er nauwelijks ruimte voor diaconaat vanuit de kerk, anderzijds loopt het diaconaat vast op de regelgeving van de overheid. Alle reden dus om ons opnieuw op het diaconaat te bezinnen.

de overheid?

Bekijken we de beide gegeven voorbeelden nader, dan blijken ze minder van elkaar te verschillen dan op het eerste gezicht lijkt. In beide gevallen speelt de overheid een belangrijke rol. In de eerste situatie gaat het om een uiterst actief optredende overheid. De nood wordt onderkent en subsidies worden ter beschikking gesteld. In de situatie lijkt het omgekeerde het geval. Een overheid die te kort schiet, de nood niet onderkent en geen geld over heeft. Daardoor laat zij mensen in de kou staan.

De verschillen zijn minder groot. In de vergadering van hulpverleners is er een telkens terugkerend refrein. Er is te veel (aanbod van clienten) en er is te weinig (geld). De vraag om hulp is vele malen groter dan het al ruime aanbod van hulpverlening. Verwachtingsvol wordt er naar de overheid gekeken om meer subsidie.

Niet denkbeeldig is het dat hulpverleners, overweldigd door het leed, uiteindelijk dezelfde wanhoop gaan uitstralen, die Werkman onder woorden bracht. Waar dat toe kan leiden wordt in de uitspraken van haar hoorbaar. Ongeloof en wantrouwen in de overheid en daarmee altijd samenhangend politiek radicalisme. Is dat te stellig gezegd? Ik denk het niet. De houding van de overheid heeft maar weinig te maken met de signatuur van de huidige regering. Ik ben er niet zo zeker van of een links kabinet tot principieel andere keuzes komt. Het vluchtelingenbeleid was ook onder andere kabinetten niet veel anders dan het huidige. De roep om meer verstomt niet ook als er een andere politieke samenstelling is. Ook een college met een linkse meerderheid kan niet voldoen aan alle verzoeken om ondersteuning. Het lijkt mij dan ook voor de noodzakelijk bezinning weinig vruchtbaar ons op de overheid te focussen. Met andere politieke partijen in de regering of colleges verandert misschien de toon,maar de muziek blijft ten principale gelijk.

tekort

Wat onder ogen gezien moet worden is het menselijke tekort. In een optimistische periode, waarin in de maakbaarheid van de samenleving geloofd wordt, wordt dat tekort niet zo ervaren. Het is er wel en uiteindelijk loopt het optimisme er op stuk. Wat we ook doen het lukt niet om de nood in de wereld en individueel op te lossen. We kunnen veel doen, maar er zijn grenzen aan ons kunnen. Het klinkt fatalistisch, maar we doen we er wel goed aan dit tekort onder ogen te zien. Het betekent niet een rem op ons handelen. Zeker niet. Waar nood is moet gehandeld worden. Diaconaat blijft een onontbeerlijke functie van de kerk. Ons menselijke tekort onder ogen zien, voorkomt wel dat we in een kramp terecht komen, waarin de één suggereert dat een oplossing is, die door de ander geblokkeerd wordt. Het voorkomt dat er een polariteit ontstaat waarin de één de goede en de ander de kwade is, op wiens bekering je nog slechts als op een wonder mag hopen. ‘Ik zou .. niet weten waar ik op moet hopen als het om de regering gaat, .. Dan hoop ik alleen op een wonder’. (Werkman) Het voorkomt dat het diaconaat, ondanks alle goed inzet op een doodlopende weg terechtkomt, niet meer herkend door de eigen kerkelijke achterban.

Het is daarom de hoogste tijd dat we ons in het diaconaat weer bezinnen op het menselijke tekort. Het lijkt mij dan ook terecht en terzake dat Den Hertog in het voetspoor van Dalrymple het begrip erfzonde weer ter sprake brengt. Hoe verwerken we dat in ons diaconale handelen en denken? Wat voor gevolgen heeft dat? Ik geef een voorzet.

dienst aan de naaste

In de kerkelijke bezinning op het diaconaat neem ik mijn uitgangspunt in hetgeen Barth schrijft over de houding van de helper jegens de naaste. Hij doet dat in de weergaloos mooie 18e paragraaf van zijn KD. In deze paragraaf legt hij het grote gebod uit. Het liefhebben van de naaste is de inhoud van het loflied dat de christen op aarde voor God zingt. Zo hoort het diaconaat tot de kern van de christelijke existentie. Zonder deze dienst aan de naaste is er geen loflied Gods, ook al zingen we nog zo mooi.

In deze dienst aan de naaste in nood onderscheidt Barth drie momenten. Deze momenten moeten voor een bespreking wel onderscheiden worden, maar horen in het handelen bij elkaar. De één kan niet buiten de ander. In het ene moment klinken ook altijd de ander momenten mee. Als dat niet het geval is, is er iets mis. Ik noem de drie momenten om ze daarna voor onze diaconale praktijk vruchtbaar te maken.

Aan de naast wordt het Woord gegund. Dat is het eerste moment dat Barth in het diaconale handelen onderscheidt. De naaste wordt niet vermoeid met klaagzangen over ons onvermogen en onze nood, hij hoort van ons wie onze redder in onze nood is. Als teken dat God ook hem wil bijstaan, is het tweede moment van het diaconale handelen de bijstand die aan de naaste in nood geboden wordt. Elke suggestie dat wij de nood oplossen kunnen, moet vermeden worden. In de nood staan we de ander bij. Op die wijze laten we in onze handelen zien dat aan de nood, ook aan zijn nood een grens gesteld is. Als derde wijst Barth op het belang van de persoon die hulp biedt. Wordt aan hem of haar zicht- en voelbaar dat hij of zij zelf van de genade leeft, dat hij of zij zelf van de redding door de Here God uit de nood afhankelijk is en van die redding leeft. Al ons spreken en handelen wordt leeg en loos als dat er niet in doorklinkt.

Het aantrekkelijke van Barth – hier veel te kort weergegeven. Elke zin in zijn betoog is een overweging waard! – is dat hij enerzijds het menselijke tekort serieus neemt en tegelijk fundamenteel relativeert. Het menselijke tekort is de nood van de mens voor zich zelf toekomst en heil te realiseren. Ziekte, dood en voeg ik er aan toe, armoede behoren bij het menselijke bestaan. Mijn naaste, noch ik zelf kunnen ons er aan onttrekken. Tegelijk weten wij van de hulp in onze nood, het in Jezus Christus ons geschonken heil. Daarvan mogen we getuigen. Daarom is er geen reden tot fatalisme. Oplossen kunnen we de nood evenwel niet. Wij heffen het menselijke tekort niet op. Elke poging daartoe leidt uiteindelijk tot wanhoop of revolte; twee vormen van hetzelfde.

de diaconale praktijk

In zijn beschouwing over de diaconale praktijk wijst Barth op een gevaar dat telkens aanwezig is. Het accent komt te liggen op het handelen, het bijstand verlenen. In de diaconale praktijk is dat bijna onvermijdelijk. Als we kijken naar de huidige diaconale praktijk moet de vraag gesteld worden of het eerste moment van het diaconale handelen dat Barth noemt niet geheel en al verdwenen is. Waar en op welke wijze wordt zicht- en hoorbaar dat we de naaste het Woord gunnen? Wordt hem in de nood uitzicht geboden waar onze hulp vandaan komt? Dit eerste moment is bijna of geheel verdrongen voor het tweede moment: het bieden van bijstand. Als evenwel in het diaconale handelen het eerste moment niet meer meeklinkt gaat het in het handelen ook mis. Dan sluipt ongemerkt de veronderstelling binnen dat wij alles moeten en kunnen oplossen. Hoe mis het dan kan gaan wordt op een lastige, maar scherpzinnige wijze door Dalrymple geanalyseerd.

Barths analyse treft ons nog dieper. Het verbreken van de subtiele verbondenheid van woord en daad in het diaconale handelen is wellicht een symptoom van onze eigen verlegenheid met het Woord. In het diaconale handelen klinkt immers ook en vooral onze eigen houding door. De vraag kan dan ook gesteld worden of en op welke wijze wij onszelf het Woord nog gunnen. Wordt het in ons diaconale handelen zicht- en voelbaar dat wij van dat Woord leven; dat Hij de redder in onze nood is? Zijn wij onszelf nog wel bewust dat wij niet de oplosser van de nood zijn, maar afhankelijk daarvoor zijn van degene die ons als Redder verkondigd wordt?

De eigenlijke crisis van het diaconaat zou wel eens de verzwakking van de diaconale grondhouding kunnen zijn. Daar moeten we ons in de kerk nog maar eens grondig op bezinnen. Vanuit die houding wordt de menselijke solidariteit met elkaar niet verbroken. Concreet wil dat zeggen, het diepe besef blijft dat ook de ander net zo min als wijzelf de oplossing voor de nood van de naaste hebben. De suggestie dat de problematiek van vluchtelingen oplosbaar zou zijn, maar dat nu niet is door onwil van een regering of politica dient krachtig bestreden te worden. In dit verband is de analyse van De Fijter betekenisvol. Diaconaat verbreekt de verbondenheid met de overheid niet, hoe kritisch het daar ook over oordeelt. Diaconaat schept ook geen verwachtingen die niet waargemaakt kunnen worden. De problematiek van vluchtelingen in onze wereld met alle scheve verhoudingen tussen rijk en arm is in Nederland niet op fatsoenlijke wijze op te lossen. Dat is staan in de blubber van onze maatschappij om daar te zoeken naar zo fatsoenlijk mogelijke maatregelen.

het diaconale surplus

In de analyse van De Fijter wordt het diaconaat op zijn verantwoordelijkheid aangesproken. Het diaconaat zoekt in verantwoordelijkheid mee naar aanvaardbare, realistische politieke alternatieven.  Toch is daar het laatste diaconale woord niet mee gesproken. Er moet nog één stap verder gegaan worden. In het diaconaat weten we dat wij de nood niet kunnen oplossen, maar we weten ook dat we de nood kunnen voorleggen aan de Here God. Dat is de nood van vluchtelingen én de nood van onszelf om tot fatsoenlijke oplossingen te komen. Hij is degene die uitzicht en toekomst biedt in de nood. Het menselijke tekort is niet het laatste. Het mag en moet voor God onder woorden gebracht worden.

Het persbericht, waaruit ik citeerde, kondigt een gebedsbijeenkomst aan voor vluchtelingen en kerkelijke werkers onder het motto ‘God geklaagd’. Dat is de situatie van vluchtelingen. Dat mag onder woorden gebracht worden evenals ons onvermogen aan de oorzaken iets te kunnen doen of ons onvermogen in onze eigen samenleving voor allen rechtvaardige oplossingen te bedenken. Ons menselijke tekort mogen we voor de Here God belijden. Dan wordt het kabinet Balkenende noch minister Verdonk afgeschreven, maar dan wordt er voor hen in solidariteit gebeden. Dat is dan een solidariteit die niet in mindering komt op de betrokkenheid met vluchtelingen. Dat is een solidariteit die opnieuw in beweging zet om begaanbare wegen te zoeken. Dat is bij uitstek een diaconale taak. Wie anders dan de kerk kan zo’n bijeenkomst beleggen.

Ik hoop dat het daarom gaat. Zeker ben ik er niet van. Het ‘God geklaagd’ zo wel eens kunnen slaan op het beleid van het kabinet. Als dat zo is, kan de bijeenkomst maar beter niet gehouden worden. Dan zal zeker niet gebeuren wat de organisatoren wel willen: het verbeteren van het draagvlak voor het vluchtelingenwerk binnen de kerken. Juist omwille daarvan is bezinning op het diaconaat hard nodig. Met het diaconaat is iets aan de hand.

At Polhuis

in: Kontekstueel, februari 2005