Is er nog een Doorbraak nodig?

Wie in Wikipedia ‘In de Waagschaal’ zoekt, vindt de volgende tekst lezen. ‘Op 6 oktober 1945 kwam het eerste nummer van In de Waagschaal uit. Miskotte wilde de verdeeldheid in de Hervormde Kerk verminderen. De richting die uitgezet werd sympathiseerde duidelijk met de doorbraakbeweging: het rigide onderscheid tussen een christelijke en seculiere leefwereld werd bekritiseerd.’ In de Waagschaal en de Doorbraak hoorden bij elkaar. Het was een verbinding die terecht was. Wie doorklikt op ‘doorbraakbeweging’ krijgt een keurige definitie daarvan te lezen. ‘Met doorbraak wordt in de Nederlandse politieke geschiedenis gedoeld op een beweging direct na de Tweede Wereldoorlog om te komen tot de vorming van één progressieve partij, die progressieven met een katholieke, protestantse, sociaaldemocratische of liberale achtergrond moest verenigen. Bepalend voor deze partijvorming waren niet de levensbeschouwelijke tegenstellingen, maar die tussen progressief en conservatief.’ Hoe staat het nu met de Doorbraak en hoe verhoudt In de Waagschaal zich nu daarmee?

 

één progressieve partij

Om die vragen te beantwoorden, sluit ik aan bij de genoemde definitie. Is er een progressieve partij ontstaan? De vraag stellen is haar beantwoorden. Een oppervlakkige blik op de geschiedenis sinds WOII geeft een ondubbelzinnig antwoord. Zo’n progressieve partij is niet ontstaat. Natuurlijk er zijn Christenen die lid zijn geworden van de PvdA. Ik ben er zelf een voorbeeld van. Er zijn Christenen die lid zijn van de SP en Groenlinks. De grote meerderheid bleef evenwel lid van de Christelijke partijen. Tot op de dag van vandaag wordt de scheidslijn bepaald door levensbeschouwelijke tegenstellingen. Dat geldt overigens ook voor de Doorbraak partij zelf. Tot mijn verrassing moet ik vaak in de PvdA uitleggen waarom ik als Christen en dan ook nog dominee geen lid ben van het CDA. Daar horen Christenen toch lid van te zijn. Helemaal begrepen wordt het maar zelden.

De levensbeschouwelijke tegenstellingen hebben de vorming van een progressieve partij belemmerd. Deel uitmakend van de doorbraakbeweging betreur ik dat. Ik heb nooit helemaal begrepen waarom progressieve christenen die ik leerde kennen en met wie prima samen te werken was, lid bleven van het CDA. Hun argument dat zij op die manier bij konden dragen aan de vorming van een progressieve meerderheid, beloofde veel, maar leverde in de praktijk alleen maar frustratie op. Frustratie bij hen zelf, als het CDA toch conservatiever was dan zij dachten. Frustratie ook bij de PvdA, die meer dan eens met ‘andere’ Christenen te maken kregen, dan waarmee zij dachten te gaan samenwerken.

De doorbraak is mislukt. Zeker, maar met hetzelfde gemak kan ook het omgekeerde beweerd worden. Wie naar de huidige politieke landkaart kijkt, ziet dat de partij vorming op basis van levensbeschouwing een verdwijnende factor is. Veruit de grootste groep kiezers laat zijn stem niet meer daardoor bepalen. Het zijn de issues en de poppetjes die nu bepalend zijn. Ook het CDA zelf is geen levensbeschouwelijke partij meer. Het is een partij die bepaald wordt door een appél. Als je je door dat appel laat inspireren ben je welkom. Per se Christen hoef je niet meer te zijn. Zo kan het gebeuren dat ik in het politieke debat in Rotterdam als Christen namens de PvdA een niet gelovige CDA’er als opponent heb. De omgekeerde doorbraak als het ware.

Kortom, gelovigen zijn doorgebroken naar de PvdA, niet gelovigen naar het CDA. Eén progressieve partij is er niet ontstaan. Maar de opkomst van de SP dan? Is het niet zaak om nu zo snel mogelijk als PvdA met de SP en Groenlinks deze progressieve partij te vormen? Het lijkt voor de hand te liggen, maar wat in 1945 wellicht helder was, is dat nu niet meer. Toen werd gesproken over progressief en conservatief. In onze situatie doen we dat ook nog, maar het is niet helemaal meer helder wat nu progressief en wat nu conservatief is.

Vooruitstrevend was het om de wereld te veranderen, om te hervormen, op te komen voor de zwakken. Dat is het nog steeds, maar wat eens de kenmerken waren van progressieve partijen als de PvdA zijn dat nu de kenmerken van de conservatieve partijen. Nu zijn het de VVD en het CDA die over hervormingen praten die nodig zijn in het belang van de zwakken in de samenleving. Het pensioenstelsel moet hervormd worden, de ziektekosten, de arbeidsmarkt. Wie het opneemt voor het beschermen van de bestaande verworvenheden is al snel conservatief. De SP is daar dan het voorbeeld van en de PvdA krijgt ook in veel gevallen het etiket opgedrukt.

Een herijking van de begrippen is nodig. Voor mij zelf hoort bij progressief het opkomen voor de Europese integratie, gekoppeld aan het staan voor de belangen van hen die in onze samenleving een krachtige steun in de rug nodig hebben. Dat kan het verdedigen van verworvenheden inhouden waarvan zij afhankelijk zijn. Concreet, verzet tegen de druk om de arbeidsmarkt te liberaliseren, verzet tegen het afschaffen van contracten voor onbepaalde tijd, niet zo maar mee gaan met het opheffen van de ontslagbescherming.

Als ik dit voor het gemak even als progressief aanhoudt, is de SP niet zonder meer een partner. Dan herken ik weer wel veel CDA’ers met wie ik de zorg voor de zwakken en de inzet voor Europa deel. Het zou een doorbraak zijn als we elkaar over de grenzen van de partijen heen vinden.

Precies daar ligt voor In de Waagschaal als blad dat uit de Doorbraak voorkomt op dit moment de uitdaging.

levensbeschouwelijke tegenstellingen

Er zijn dus de nodige vragen te stellen bij de actualiteit van de Doorbraak als het gaat om de vorming van één progressieve partij. Anders is dat bij het tweede kernpunt: het verwerpen van de levensbeschouwing als politiek organisatie principe. Dat principe is nog steeds uiterst actueel. Voor In de Waagschaal zou dat kenmerkend dienen te zijn. In de politiek zijn politieke argumenten doorslaggevend, ook bij de partijvorming.

Hier blijft actueel wat Barth in Christengemeinde und Bürgergemeinde in de 30e en 34e paragraaf stelt. In deze traditie staat In de Waagschaal, in deze traditie dient zij nog steeds te staan.

In de 30 paragraaf gaat Barth in op de vraag op welke wijze de politieke beslissingen die met het evangelie te maken hebben het best gerealiseerd kunnen worden. Hij bespreekt dan de partijvorming op basis van het evangelie. Hij wijst die beslist af. Het eerste argument ontleent aan de politiek zelf. Politieke partijen zijn dubieuze instituten. Het is de vraag of de kerk als zij medeverantwoordelijk wil zijn voor de gemeenschap deze dient door aan de partijen nog één toe te voegen. Als dat gebeurt corrumpeert zij terstond haar eigen boodschap. Die boodschap is immers gericht tot alle mensen: gelovigen en niet gelovigen. Dat wordt makkelijk mis verstaan. Bij deze opmerking van Barth moet de opsomming die hij even daarvoor over de richting van het politiek handelen gaf, in het oog gehouden worden. Die opsomming is progressief en alles en allen omvattend. Vorming van een politieke partij betekent dat de politieke boodschap van de kerk beperkt wordt tot de leden van die partij: de christenen, waartegen niet christenen zich te hoop lopen. Dat kan volgens Barth niet. De politieke inzet van de kerk is er voor de hele gemeenschap!

Deze politieke inzet kan alleen – en dat is de kern van zijn betoog – in duidelijke politieke stellingnamen zichtbaar worden. Dat zijn beslissingen waarin de evangelische inzet, waarover hij eerder sprak, weerspiegeld worden. Die politieke beslissingen worden dan niet met een beroep op het evangelie verantwoord, maar door politieke argumenten. Niet omdat iets christelijk is, maar omdat de politieke keus met politieke, zakelijk argumenten als beter wordt beoordeeld. Beter in de zin van dienstbaar aan de samenleving.

Daarvan afgeleid hanteert Barth nog een argument tegen partijvorming op basis van levensbeschouwing. Dergelijke partijvorming brengt juist aan het christelijke geloof schade toe. Er moeten compromissen gesloten worden, meerderheden gehaald worden. Daarmee wordt onvermijdelijk van het christelijk geloof gecompromitteerd. Hoe waar dat is, maak ik in de politiek regelmatig mee. Ik hoor dan CDA’ers dingen zeggen, die politiek te begrijpen zijn, maar met het evangelie, zoals ik dat versta maar weinig te maken hebben.

Barth komt dan tot een niet mis te verstane conclusie, die heden ten dage nog altijd de moeite waard is te overdenken. In de politiek kunnen Christenen juist als Christen alleen anoniem optreden. Precies zo ervaar ik het. In de politiek dien ik afgerekend te worden op wat mijn voorstellen politiek betekenen. Dat wil zeggen of zij de samenleving rechtvaardiger, duurzamer en doorzichter maken.

Betekent dat dan dat het evangelie niet meer meespeelt? Daarover zegt Barth in de 34e paragraaf behartigenswaardige dingen over. Juist een door het evangelie geïnspireerde christen is voor de samenleving van groot belang. Niet omdat hij gelovig is, maar omdat hij weet van de richting die bevrijdend is. Concreet betekent dat voor Barth dat telkens tegen deel- en partijbelangen in opgekomen dient te worden voor het belang van allen. Niet alleen de belangen van de blanken, niet alleen de belangen van alleen de werkgevers enz.. Ook als dat ingaat tegen het eigen belang dient er aandacht te zijn voor het belang van nieuwkomers. Maar ook dat is geen vastliggend principe. Het kan zijn, dat morgen juist weer tegen dat belang ingegaan moet worden, omdat het belang van de autochtoon in de knel komt. Dat soort grensoverschrijnend politiek handelen is uiterst noodzakelijk. Als de kerk burgers levert, die zich daarvoor willen inzetten, maakt zij haar verantwoordelijkheid voor de samenleving meer dan waar.

Voor mij zijn deze overwegingen van Barth tot op de dag van vandaag richtinggevend. In de concrete politiek zie ik hoe waar zijn waarneming is dat  christelijke partijen het evangelie corrumperen. Dat is voor mij de blijvende betekenis van de Doorbraak. Christelijke partijvorming, dus partijvorming op basis van levensbeschouwing hoort in de politieke arena niet thuis.

Tot op heden sprak ik alleen over het CDA. Geldt hetzelfde ook voor de SGP en de CU? Over de SGP kunnen kort zijn. Schadelijk voor christenen. Een verwijzing naar het vrouwenstandpunt is in dit verband voldoende. Bij de CU lijkt het anders. De keuzen die daar gemaakt worden, zijn voor veel progressieve christenen aantrekkelijk. Zeker. Maar ook voor de CU geldt, dat de keuzen niet theologisch, maar politiek beoordeeld moeten worden. De keuzen die dan gemaakt worden, zijn politieke keuzen en geen keuzen die rechtstreeks uit het evangelie weglopen. Tegen die pretentie dient altijd weer protest aangetekend te worden. Precies daar behoort voor In de Waagschaal de waarde van de Doorbraak te liggen. Dus: Ja, er is nog een Doorbraak nodig!

 

(In de Waagschaal, jrg. 41, nr. 9. 15 september 2012)