Onmogelijk en toch werkelijk

Het komt niet vaak voor, maar nu overkwam het mij bij het lezen van het boek van Wouter Klouwen ‘Sta op en wandel’. Het was een feest van herkenning. Been van mijn gebeente, vlees van mijn vlees. Een boek als dit bedoelde ik toen ik jaren geleden de kerk opriep terug te keren naar haar ‘core business’. Klouwen maakt in zijn boek op bijna elke pagina helder hoe vreemd het bijbelse getuigenis is in onze wereld en tegelijkertijd hoe bevrijdend het is. Dit dient verkondigd te worden! Het boek van Klouwen geeft daaraan een krachtige en heilzame stimulans.

Het boek zet in waar de meeste ‘modernen’ afhaken: de onmogelijkheid van het bijbelse geloof. Wie gelooft er nu nog in wonderen? Wie gelooft er nu nog in een God die ingrijpt? Klouwen geeft aan deze onmogelijkheid het volle pond. Zij wordt niet weggemoffeld in een altijd weer vroeg of laat lekkende verpakking. Op vrijwel elke pagina van zijn boek komt deze onmogelijkheid terug. Het is de door redelijk denkende mensen verworpen steen waarop zijn betoog gebouwd wordt.

De bijbel is het getuigenis aangaande een God, die niet behoort tot de menselijke mogelijkheden. Het geloof is geen menselijke mogelijkheid. Jezus is en blijft vreemd voor ons. Opstanding is onmogelijk. Zodra dit vreemde verdwijnt, moet dat voor ons een signaal zijn. Dan hebben we het niet meer over het bijbelse geloof, maar over een menselijke mogelijkheid. Dan zijn wij met ons denkvermogen, ons gevoel of wat dan ook het fundament van het geloof. Dan komt geloof op uit onze mogelijkheden. Dan is het geloof geen gave meer maar een opgave, die we moeten volvoeren. “De zekerheid van het geloof ligt dus buiten de mens” (40).

De zekerheid van het geloof is Jezus, die ons als opgestane Heer als onmogelijke tegemoet komt. Het fundament van het geloof is niet de mens, maar deze daad van God. Geloof is vertrouwen in de trouw van deze God die opwekt uit de doden. In de opgestane Heer licht een werkelijkheid op, die volgens onze normen, opvattingen en redelijkheid helemaal niet kan. In Hem wordt werkelijk, wat voor ons onmogelijk is: de nieuwe wereld. Welnu, geloof is volgens Klouwen, gaan staan “in de werkelijkheid van wat niet kan” (30).

In elk hoofdstuk van zijn boek wordt deze onmogelijkheid uitgewerkt. Dat doet hij door uitgebreid alle facetten van de kerkdienst te bespreken, inclusief het lied en een mooie passage over gebedsverhoring. Daarnaast spreekt hij op een heerlijk tegendraadse manier over de gemeente om af te sluiten met de sacramenten en de uitwerking daarvan bij de begrafenis en het huwelijk.

Werkelijkheid

Klouwen kent de kritiek op zijn theologische positie. Als het geloof voor ons onmogelijk is, is het dan ook niet onwerkelijk? Kan iets dat niet opkomt uit de menselijke mogelijkheden, wel werkelijk zijn, behorend tot de ons kenbare werkelijkheid? Wordt het geloof niet tot een platoons gedachtenspinsel? Klouwen bestrijdt dat met verve. In de epiloog van zijn boek komt hij daarop nog eens terug. Het onmogelijke bijbelse geloof zet de mens niet in een schijnwereld, haalt de mens niet weg uit de werkelijkheid waarin hij leeft. Nee, het gaat volledig in in onze werkelijkheid. “Het bijbelse bericht, onmogelijk als het voor ons ook is, heeft juist niets anders op het oog dan de mens, en wel de mens in heel zijn concrete, lijfelijk-fysieke, zijn ervarende en denkende, zijn gelovige en twijfelende, zijn levende en stervende bestaan” (171). Dat kan omdat wat voor ons onmogelijk is, door God zelf mogelijk gemaakt wordt. Zijn nieuwe wereld wordt in Jezus Christus in onze werkelijkheid werkelijk. Dat is het bericht dat we in het evangelie te horen krijgen. In dit horen van de gemeente en de gelovige en het daarmee gegeven handelen, krijgt deze werkelijkheid duur in onze tijd.

Vreugde

Klouwen zet zijn betoog in bij de onmogelijkheid van het geloof. Ik begrijp dat. Daarmee wil hij degenen, die omwille van die onmogelijkheid het geloof kritiseren, de wind uit de zeilen nemen. Het gevolg daarvan is wel, dat het boek daardoor een loodzware ondertoon krijgt, die op den duur ook enigszins vermoeiend wordt. Het probleem waar wel meer apologetische pogingen mee kampen. Het telkens opnieuw herhalen van de onmogelijkheid werkt ook weinig inspirerend. Precies zoals hij zelf schrijft. “Leg maar eens uit dat wat je gelooft niet kan, en dat dat precies het geheim van het geloof is”. (138)

De vraag lijkt mij dan ook of met deze onmogelijkheid begonnen moet worden. Ik wil niets afdoen aan die onmogelijkheid, maar die onmogelijkheid wordt mij openbaar juist doordat deze ‘God’ mij aanspreekt. Dat is reden tot grote vreugde en verwondering. Klouwen weet dat zelf ook wel. Hij noemt het de verwondering die een mens ten deel valt (118). Welnu, die verwondering had wel iets sterker in het boek mogen doorklinken. Dan had niet de onmogelijkheid van de nieuwe wereld geklonken, maar juist de verrassing dat deze nieuwe wereld werkelijkheid is. Dan was de toon van zijn boek lichter en aansprekender geweest. Wij zijn in de ruimte gezet en zien daarom de gevangenis waarin wij leefden en leven. Dat zijn nieuwe wereld onmogelijk is, is mij toch nog te veel vanuit ons eigen perspectief geredeneerd.

Ethiek

Klouwen doet veel moeite om duidelijk te maken dat het geloof effect heeft voor ons leven in het hier en nu. Begrijpelijk, omdat het accent op de onmogelijkheid van Gods ingrijpen makkelijk leidt tot een ontkennen van enige menselijk handelen. Wordt dat handelen immers niet grondig juist in de Openbaring gekritiseerd? Wordt de mens er niet door buiten spel gezet? Enigszins korzelig merkt Klouwen in zijn epiloog op, dat als deze vragen na het lezen van zijn boek nog leven, hij er niet in geslaagd is zijn punt te maken (171). Dat punt is dus, dat de mens niet buitenspel gezet is. De vraag is dus, of Klouwen daarin geslaagd is.

Op die vraag kan ik geen uitgesproken antwoord geven. Zeker, in zijn bespreking van het Avondmaal komt het handelen van de gemeente expliciet ter sprake. “Bij deze gedachtenis van bevrijding gaat het de gemeente, als eerder gezegd, dus om een weten, dat echter bestaat in een concreet dóen”. (150) Dat concrete doen werkt Klouwen uit in een viertal punten. De gemeente is sceptisch over de ‘natuurlijke’ waarden van het leven; houdt de hoop brandende: doet daden ‘om niet’ en ziet zich gesteld voor de nood van de wereld. (153,154) Ontegenzeggelijk goede basisnoties, maar tegelijk ook wel wat vaag. Met deze noties kunnen zowel voor- als tegenstanders van een verenigd Europa uit de voeten. Hetzelfde geldt voor voor- en tegenstanders van bijv. ontwikkelingshulp.

Ik voeg daar een persoonlijke noot aan toe. Sinds kort doe ik op bescheiden schaal mee in het politieke debat. Ik kijk daardoor anders tegen geloof aan dan in mijn leven als predikant. Wat mij opvalt is, dat daardoor de afstand tot geloof aanzienlijk groter is geworden. In het politieke debat kan ik er heel goed buiten. Geloof zit dan vooral op het niveau van de uitgangspunten, de basisvoorwaarden voor het handelen. Precies dus op het niveau van de opmerkingen die Klouwen maakt. Het is dus heel goed mogelijk dat van de gemeente en het geloof ook niet meer gevraagd kan worden.

Islam

Betoogde ik zo juist dat het geloof ook niet veel meer kan het formuleren van basisvoorwaarden voor handelen, anders wordt dat in de relaties tot andere geloven. In deze tijd staan theologen voor de vraag hoe het christelijke geloof zich verhoudt tot de Islam.

Daar had toch wel iets meer over gezegd mogen worden. Klouwen zet direct in met een cruciale zin. “Maar juist dit meest evidente, dat het om religie zou gaan, is precies hetgeen in de bijbel bij uitstek geproblematiseerd wordt.”(23) Terecht betrekt Klouwen deze kritiek als eerste op het Christelijke geloof, maar ook de andere geloven vallen onder dit oordeel. “Niet ‘wij’ staan tegenover ‘zij’, maar allen staan op de gemeenschappelijke grond van het ongeloof, zowel jood, als christen als moslim, zowel gelovigen als ongelovigen”. (80) Dit betekent dus een fundamentele gelijkheid tussen de geloven. Dat betekent concreet dat geen geloof zijn gelijk en opzichte van andere geloven kan claimen. De een is niet beter dan de ander. Daarin ga ik met Klouwen mee. Mijn vraag aan hem is hoe hij zijn eigen zin op p. 80 dan in de praktijk van de ontmoeting met moslims uitwerkt? Als we ons gekruisigd weten in de ontmoeting met de onmogelijke God en ons derhalve niet boven de ander verheffen, hoe verhouden we ons dan tot stromingen in de Islam waarin de meerwaarde van de Islam met woord en daad verkondigd wordt? Betekent verkondiging van de onmogelijke God dan ook niet een veroordeling van deze gelovige daden als daden die samenhangen met een ‘mogelijke’ God? Ik gebruik bewust de woorden die Klouwen zelf gebruikt. Als ‘onze’ God als enige ware uit de bus komt, “wordt niet de onmogelijke “God”, maar toch een ‘mogelijke’ God verkondigd.”(80) Die God noemt Klouwen dan de anti-christ. Betekent getuigen van de onmogelijke ‘God’ ook niet dat dat dan ook hardop gezegd moet worden, ook in het hedendaagse debat over onze verhouding tot de Islam?

Het moge duidelijk zijn. Klouwen heeft een spannend boek geschreven, tegendraads en daardoor uitdagend. Het bepaalt ons inderdaad bij de ‘core business’ van de kerk!

(In de Waagschaal, nw. jaargang 40, nr.14, 8 oktober 2011)