Commentaar (Back to Basics)

Het is 1994. Eén van de stellingen bij mijn proefschrift luidde: “Het verdient aanbeveling de classicale vergaderingen af te schaffen”. Eén bescheiden niveau tussen Synode en gemeente was, gelet op de te verwachten omvang van de fusie-kerk, voldoende.
Tien jaar later pleitte ik voor een herbezinning van de kerk op haar ‘core business. Noodzakelijk, gelet op de dramatisch slechte prognose voor de kerk. Weer tien jaar later verschijnt het rapport van de scriba van de Synode: Waar een Woord is, is een weg. Ik ben blij met dat rapport. Op heldere wijze pleit Plaisier voor een terugkeer naar de kern van het kerk-zijn en verbindt daar een ingrijpende reorganisatie van de kerk aan. Niet te lang over praten, lijkt mij, maar met voortvarendheid uitvoeren!

Meer lezen

Tolerantie (‘Zoet is het licht’ van G.H. ter Schegget

De tijd ligt achter ons, dat een nieuw boek van Bert ter Schegget in grote getale bij Donner lag. Zoveel vraag was er toen. Hij inspireerde velen. Hoeveel invloed heeft hij nu nog? Zoveel jaar na zijn te vroege dood in 2001.

De na zijn overlijden opgerichte Ter Schegget stichting bindt de strijd aan tegen het vergeten. Dat doet zij door het werk van Ter Schegget blijvend toegankelijk te maken op de website www.ghterschegget.nl. Zijn boeken worden daar integraal en doorzoekbaar aangeboden! Daarnaast heeft de stichting onlangs het hele archief toegankelijk gemaakt. Deze klus werd geklaard door Greetje Witte-Rang. Als dank voor dit monnikenwerk gaf de stichting een bundeltje uit met 10 nog niet eerder gepubliceerde preken. De preken werden gehouden in de laatste jaren van zijn leven. Het is een prachtig bundeltje geworden, fraai uitgegeven door Narratio.

In de bundel onder andere 4 preken over Prediker, over de goede herder, de altijd weer lastige strafrede uit Mattheus 11, de verloren zoon. Stuk voor stuk qua taal en inhoud aanspreekbare stukken, met als hoogtepunt de preek uit Prediker waaraan de titel ontleend is “Zoet is het licht”. Daarin spreekt Ter Schegget wijs geworden door de jaren van actie heen. Troostend!  Ik ga de preken niet samenvatten. Ze moeten gelezen en herlezen worden. Ik deel een leeservaring.

Wie de preken leest en op zich laat inwerken, schrikt hoezeer het maatschappelijke debat inmiddels veranderd is. Als Ter Schegget in de preek over de strafrede over tolerantie spreekt, is dat vooral een kritiek op de schijn tolerantie van onze samenleving. Tolerantie als dekmantel voor onverschilligheid. In zijn woorden: “Is tolerantie niet verworden tot een dekmantel van egocentrisch gedag?” Als je mij met rust laat, doe ik jou hetzelfde. Die houding werpt ons terug op onszelf en dat is precies “wat het Vrijemarktsysteem van ons vraagt”. Het gevolg is dat we gerust leven in een systeem waarin velen slachtoffer worden. Daar richt Ter Schegget zich met hartstocht tegen. Tolerantie moet, zo zegt hij, “gedragen worden door liefde en solidariteit: Het is steeds weer broodnodig voor elkaar, voor de zwakke, arme en afgeschreven mens op te komen”. Dat is Ter Schegget ten voeten uit.
In onze dagen gaat het debat vooral over onze houding ten opzichte van de Islam en dan met name de extremistische variant daarvan. Lang hebben we de tolerantie aan de dag gelegd, die Ter Schegget kritiseert. Dat kan ondertussen niet meer. Daarvoor is de manifestatie van de Islam te manifest en ook te bedreigend geworden. Wat betekent nu, daarmee geconfronteerd, tolerantie in de zin zoals Ter Schegget die gebruikt? Hoe moet we opkomen voor de zwakke, arme en afgeschreven mens opkomen als die zich toont in de gedaante van een IS strijder? Of mag dat zo niet gezegd worden?

Het zijn vragen waarmee wij in onze tijd mee worstelen. Zijn daarmee de preken van Ter Schegget gedateerd? Geenszins! Juist in deze tijd waarin het ‘godsdienst gesprek’ alle aandacht lijkt op te eisen, is het goed deze stem (opnieuw) te horen. Daardoor worden we bepaald bij één van de grondlijnen van het bijbelse getuigenis: de solidariteit met de armen. Dat is goed om te horen juist in het huidige debat.

In deze preken horen we Ter Schegget ook in onze dagen tot ons spreken. Hij bepaalt ons steeds weer bij de vrijheid van Jezus. Hij doet dat op een op, uitnodigende, bescheiden en ingetogen manier. Ik ben blij met dit boekje.

At Polhuis

“Zoet is het licht”, tien preken van G.H. ter Schegget. Narratio 2015.

(In de Waagschaal, nieuwe jaargang 44, nr. 11. 7 november 2015)

Obermans Luther

Het is Wessel ten Boom wel toevertrouwd kerkelijk correct Nederland de gordijnen in te jagen. Enige tijd geleden door een vraagteken te zetten bij de algemeen geaccepteerde verwerping van de vervangingstheologie. Nu door een vraagteken te zetten bij de vraag van de rabbijnen en het CIDI om excuses voor de Jodenhaat bij Luther. Is het niet evident dat de kerk daarvoor bij de viering van 500 jaar zich excuseert? Niet aan beginnen, zegt Ten Boom. Het antisemitisme van Luther heeft nooit als het hart van de reformatorische theologie gefungeerd. Bovendien hebben kerk en synagoge een diepgaand conflict. We kunnen als kerk niet anders dan aanvaarden dat de synagoge het kerkelijke ‘anti-judaïsme’ als antisemitisch beschouwt.

Bij toeval las ik een recensie van H.A. Obermans in 1981gepubliceerde boek Wurzeln des Antisemitismus. De recensie verscheen in ons blad in 1985 en werd geschreven door P. Hijmans. Hij is lovend over het boek. Niet zo vreemd, omdat Oberman gerekend werd tot een van de grootste Luther kenners. In zijn bespreking geeft Hijmans lange citaten uit het betoog van Oberman. Ik stip 5 punten aan, die in het door Ten Boom opgeroepen gesprek van belang zijn. Zij prikkelen wellicht om het boek van Oberman opnieuw ter hand te nemen.

I.

Oberman ontkracht de stelling dat er een verschil zou bestaan tussen de jonge en de oude Luther. Er is geen sprake van dat de jonge Luther een vriend van de Joden is om dan na 1530 teleurgesteld tot tegenstander en vijand van de Joden wordt. De ‘Judenfrage’ is geen bijzondere zwarte bladzijde in Luthers werk, maar zij is een centraal thema in en van zijn theologie. De rotsbodem van Luthers anti-judaïsme is zijn overtuiging dat de Joden als Joden sinds Christi komst op aarde geen enkele toekomst meer hebben. Deze gedachte is in heel het werk van Luther aan te wijzen.

II.

Deze negatieve waardering van de Jood heeft bij Luther niets te maken met racisme of antisemitisme. Zij komt niet voort uit een negatieve, voorop gestelde mening of beeld van de Jood als bedreiger, moordenaar of spitsboef. Je zult dan ook bij Luther tevergeefs naar een rassentheorie zoeken. In racistische categorieën wordt door Luther niet gedacht. Je doet hem onrecht om te beweren dat hij als antisemiet op het historisch toneel verschenen is. Zijn anti-judaïsme is dan ook niet te verklaren vanuit een antisemitische aangeboren grondhouding.

III.

Luthers anti-judaïsme is alleen te verklaren vanuit de centrale inzet van zijn theologie. Dat is de rechtvaardiging van de zondaar door het geloof alleen. De keerzijde daarvan is de strijd en het verzet tegen de eigengerechtigheid. Dat is de poging zich door het houden aan de Wet zichzelf te rechtvaardigen. Deze religie der Wet ziet Luther bij zowel ongedoopte Joden als gedoopte Christenen. Dit judaïsme heeft velen binnen (en buiten) de ‘paus-kerk’ ten val gebracht. Voor Luther zijn met name de Joden het voorbeeld hoe vasthouden aan de eigengerechtigheid leidt tot tegenspraak, tegenstand en tenslotte tot opstand tegen God. Joden zijn zo de spiegel voor Christenen waarin zij zichzelf zien als onbekeerden en dus als oproep te leven van genade.

IV.

Bij de bespreking van Hijmans maakt Hasselaar een korte opmerking. Wat deed Luther de echte Joden aan toen hij wettische christenen voor ‘joden’ uitmaakte? Daar zit de pijn tot op de dag van vandaag. Oberman wijst daarop. Als Luther de telkens weer verjaagde Joden als een door God verstoten volk opgeeft, dan blijft er voor de Joden als Joden geen plaats meer over; dan is anti-judaïstisch in zijn feitelijke effect anti-joods geworden.  De voorstellingen en de ‘beelden’ van de ‘Jood’ of de Joden hebben dan alle resistentie verloren tegen ontlening door anderen: zij kunnen zonder enige variatie in de vreemde dienst van het antisemitisme overgaan en overgenomen worden. Onbedoeld kan Luther dan in een antisemitisch discours gebruikt worden.

V.

Het dunkt mij dat Ten Boom iets te snel en te gemakkelijk Luthers negatieve spreken over de Joden bagatelliseert. Het heeft wel degelijk te maken met het hart van zijn theologie. Tegelijk heeft hij gelijk als hij wijst op het diepgaande conflict tussen kerk en synagoge. De kerk kan – met Luther – niets anders dan de eigengerechtigheid af wijzen. Daarin is zij –evangelisch gesproken – anti-judaïstisch. Dat laadt een enorme last op de kerk. Zij dient zich het misbruiken van deze theologische notie binnen en buiten de kerk aan te trekken. De Joden van vlees en bloed, de letterlijke Joden zijn immers, zo besluit Hijmans zijn bespreking, het slachtoffer geworden van de metaforische bijbelbetekenissen van de letterlijke term ‘Jood’. Daar mag zij zich niet aan onttrekken. Ook vandaag niet, nu antisemitisme opnieuw krachtig de kop op steekt. Zo versta ik de vraag van de rabbijnen en het Cidi.

At Polhuis

(In de Waagschaal, nieuwe jaargang 44, nr. 10. 10 oktober 2015)

(Commentaar) Teleurstelling

Het komt niet vaak voor, maar deze zomer gebeurde het. Een ontwikkeling die tegelijkertijd twee tegengestelde reacties oproept. Ik doel op de Griekse crisis die deze zomer het nieuws beheerste. De afloop daarvan roept bij mij opluchting op, maar tegelijk ook teleurstelling. Ik ga er daarbij vanuit dat de situatie op u dit leest ongeveer nog gelijk is aan die toen ik dit commentaar schreef. In dit dossier weet je het immers maar nooit.
De opluchting is er omdat de kans op een Grexit aanzienlijk is afgenomen. Het uittreden van Griekenland uit de Euro, vrijwillig of gedwongen – als dat in dit geval al opgaat – was voor Europa een slechte ontwikkeling geweest. Het proces van Europese integratie dient onomkeerbar te zijn. Een uittreden van Griekenland had daar een vraagteken achter gezet. Conflicten in Europa dienen, gelet op de bloedige geschiedenis van ons werelddeel, aan de onderhandelingstafel opgelost te worden, hoe moeilijk dat soms ook is.

Er komt nog iets bij. Solidariteit en bestrijding van armoede zijn waarden die bij het Europese project horen. Daaruit blijkt iets van de eeuwenlange beïnvloeding door het Christelijke geloof. Die solidariteit kost iets. In het geval van Griekenland kost het het rijke deel van Europa geld. Het zou een zwarte dag geweest zijn als die solidariteit niet opgebracht was. Zo ver is het gelukkig niet gekomen. Opluchting!

Daarmee is de teleurstelling direct verbonden. Met duidelijke stem liet het Griekse volk weten dat zij een andere, een meer socialere politiek wensten. Ik had en heb daar sympathie voor. Zoals zo vaak betalen de gewone Grieken het gelag van de crisis. Tsipras en de zijnen probeerden oprecht Europa tot een andere politiek te bewegen. Dat is niet gelukt. Niet alleen omdat de andere landen dat niet wilden, maar omdat zij het niet konden. Ook mijn verstand zegt dat de Griekse wens in de harde werkelijkheid irreëel is. Het zou de fundamenten van het huidige Europa aantasten. Die Griekse wens is op de harde werkelijkheid stukgelopen. Ik begrijp dat dus met mijn verstand, maar betreur het als ik naar mijn gevoel luister. Met het vervliegen van de Griekse droom is tegelijk de kans op een fundamenteel socialer Europa vervlogen. Ook Tsipras heeft dat inmiddels ingezien en voegt zich nu terecht naar de werkelijkheid. De teleurstelling daarover is niet minder groot dan de opluchting.

De komende maanden gaat gesproken worden over de enorme schuldenlast van Griekenland. Dat ligt in Nederland gevoelig. Ik begrijp dat wel. Niemand vindt het leuk om geld te verliezen. Toch pleit ik – en met mij hoop ik de kerken – er voor het wel te doen. Het is een teken van solidariteit en als zodanig een klein stapje naar dat niet alleen door de Grieken gewenste socialer Europa.

AP

(In de Waagschaal, nieuwe jaargang 44, nr. 9. 12 september 2015)

De onrechtvaardige rechter (Lukas 18:1-18)

Deze rechter staat voor de orde, die van God noch gebod wil weten. Als dat zo is, duurt het niet lang of ook de mens wordt uit het oog verloren. Precies dat gebeurt in deze gelijkenis. De weduwe, die op recht doen aangewezen is, wordt geen recht gedaan. Zo gaat het in onze wereld toe. Vele weduwen en wezen vragen in onze wereld tevergeefs om recht. Onbegrijpelijk onrecht is er in een orde, die geen ontzag heeft voor God; waar God niet gekend wordt. Dan is het een schrale troost om te weten dat er straks als de Mensenzoon komt dat recht wel gedaan wordt. Hoe zeker is dat?

Kijk nog eens goed naar de onrechtvaardige rechter, zegt Jezus. Uiteindelijk spreekt hij recht. Niet omdat hij daartoe van binnenuit gedrongen wordt, nee, omdat de vrouw, deze weduwe blijft volhouden. Dan gaat hij overstag, dan gebeurt het wonder. Hij spreekt recht.
Dat is het springende punt in deze gelijkenis. Midden in onze wereld, die ver verwijderd is van Zijn Rijk, wordt Gods recht voltrokken. Om het nog iets scherper te zeggen. In de onrechtvaardige rechter licht de goede rechter en Zijn recht op. De onrechtvaardige rechter wordt, zonder dat hij het wil, of zonder dat hij zich dat bewust is, tot instrument, tot gelijkenis van de goede rechter.

Dat is de troost van de gelijkenis. De goede God wacht niet tot Zijn Rijk komt, maar neemt nu reeds mensen in zijn dienst. Hij laat nu al in de wereld orde die voorbijgaat, Zijn licht oplichten. Het gebeurt nu al, waar wij op hopen: de vanzelfsprekendheid van onze onrechtvaardige orde wordt doorbroken. Het gebeurt nu al, dat aan de weduwe en de wees recht gedaan wordt. Daarvan is de onrechtvaardige rechter in deze gelijkenis het teken.
Dat gebeurt niet omdat er door de rechter in de goede God geloofd wordt, maar omdat hij niet op kan tegen diegenen die om recht vragen. Tegen hen die om recht vragen, omdat zij van de rechtvaardige rechter weten die komt.

Dat zijn de bidders die Jezus op het oog heeft. Daarom bemoedigt en troost Hij ons. Nu reeds, nu zijn Rijk nog niet gekomen is, kan dat gebed krachtig zijn, zo krachtig, dat in onze onrechtvaardige orde recht gesproken wordt, recht dat een voorteken is van Zijn recht dat zal heersen.

In de gelijkenis zijn die bidders lastige mensen. Op die lastige mensen, op die bidders, daar hoopt Jezus op, dat Hij die zal aantreffen als Hij komt.

At Polhuis

(In de Waagschaal, nieuwe jaargang 44, nr. 8. 18 juli 2015)