De politieke uitdaging van de kerk

Bij herlezing na vele jaren van Barths lezing uit december 1938 ‘Die Kirche und die politische Frage von heute’ verraste mij zijn moeiteloze gelijkstelling tussen het nationaal-socialisme en de Islam. Dat was mij bij eerdere lezingen niet opgevallen. Toen raakte ik onder de indruk van zijn heldere en dappere verzet tegen het nationaal-socialisme. Dat was nu ook weer het geval, maar die vergelijking met de Islam bleef steken. Was dat een faux-pas van Barth; een opmerking die gemaakt kon worden in een tijd dat de kennis van de Islam in Europa nog boekenwijsheid was? Of prikkelt deze opmerking van Barth tot een ongemakkelijke actualisering van zijn toespraak? Ik ben er niet uit. Vandaar dat ik dit punt ook aan u voorleg. Het lijkt mij belangrijk genoeg om over na te denken. Want wat toen gold, geldt nu nog steeds. Als kerk zijn we ook nu geroepen ons te bezinnen op de ‘politische Frage von heute’.

 

In zijn rede scherpt Barth zijn standpunt aan over de houding die kerk jegens het nationaal-socialisme moet aannemen. Vanaf het begin van de jaren 30 is Barth intensief betrokken geweest bij de Duitse Kerkstrijd. In zijn rede kijkt hij daar nu op terug. In de begintijd ging het vooral om ‘de dreigende verwoesting van het wezen – … – der kerkelijke belijdenis door een valsche leer’. Het accent lag op de zuiverheid van de kerk. De Kerk diende een Christus belijdende kerk te zijn. Dat was de inzet van de Duitse kerkstrijd. Ook al werd toen ook al het bedenkelijke karakter van de met het nationaal-socialisme samenhangende politieke revolutie gezien, dat was nog geen reden voor de Kerk zich daartegen uit te spreken. In zijn rede citeert Barth een zin van zichzelf uit die dagen: Ik verzet mij tegen een theologie, die nu bij het nationaal-socialisme haar toevlucht zoekt, niét tegen het nationaal-socialistische staatsbestel en zijn maatschappelijke ordening’. In de begin jaren diende de kerk dus wel intern orde op zaken te stellen. Onder geen beding mocht de invloed van het nationaal-socialisme greep krijgen op de kerk, maar op politiek gebied diende de kerk neutraliteit te betrachten. ‘Neutraliteit … was toentertijd de geboden vorm van een echt-kerkelijke houding’. Ook deze beweging diende als politiek experiment tijd en gelegenheid te krijgen.

Van dit onderscheid neemt Barth in deze rede uit december 1938 ondubbelzinnig afscheid. Neutraliteit van de kerk jegens het politieke experiment is niet langer mogelijk. Hij vat dat samen in een krachtige stelling: ‘tegenover het nationaal-socialisme is thans geen kerkelijke neutraliteit, geen afwachtende houding met ja of neen meer mogelijk’. Het is de roeping en de taak van de Kerk om zich in het politieke veld uit te spreken tegen dit politieke systeem. Actief kerkelijk verzet is geboden!

De stap die Barth hier zet, maakt deze rede tot op de dag van vandaag actueel. Het is een stap waarmee de Kerk tot op de dag van vandaag moeite heeft. Dat begon al in de tijd waarin Barth zijn rede uitsprak. Hij stelt vast dat de meerderheid van de ‘Bekennende Kirche’ in Duitsland deze stap niet met hem zet. Ook voor zijn Zwitserse gehoor is deze stap niet vanzelfsprekend. Ik houd het er op dat deze ‘politieke dienst’ van de Kerk ook voor velen van de nu levende gelovigen niet vanzelfsprekend is. Om dit te onderbouwen is nog enige verheldering nodig.

Als Barth tot zijn oordeel komt, spelen politieke argumenten een rol. Hij noemt er in zijn tekst verschillende. Zij spelen een rol, maar geen doorslaggevende. Kern van zijn redenering is dat ook de staat een ambt is in dienst van de in Christus geopenbaarde God is. Dat ambt is dat de staat geroepen is om de goeden te belonen, de kwaden te straffen, de armen te hulp te komen en de verdrukten de ruimte te geven en voegt hij er aan toe ruimte te geven aan de verkondiging van het Evangelie. Zoals de Christen in moet staan voor een rechte kerk, zo moet hij ook instaan voor een rechte staat. Daarom was toen politiek verzet geboden tegen de nationaal-socialistische staat. Deze op bedrog, onvrijheid en absolute rechteloosheid gebaseerde staat is de opheffing van de rechte staat waarvan vrijheid, recht en verantwoordelijkheid de kenmerken zijn. Tussen hen beide bestaat een onoverbrugbare kloof.

In het opkomen voor het herstel van de rechte staat gaat Barth tot het einde. Hij verwijst dan naar zijn in datzelfde jaar ook verschenen brief aan een Tsjechische soldaat. Hij strijdt niet alleen voor de Europese vrijheid, maar ook voor de Kerk van Jezus Christus. Zijn strijd was er immers op gericht een verdere opmars van de nationaal-socialistische staat te voorkomen. In zijn woorden: ‘De Kerk is … met al haar leden solidair met de staat, die zich als een rechte staat, dus nog niet aan anarchie of tirannie overgeleverd, tegen de principieele opheffing van recht en gerechtigheid te weer stelt’. Deze strijd is dan de keerzijde van het gebed van de Kerk, waarin zij bidt om de opheffing van de onrechtstaat. Biddend spreekt zij zich dan uit ‘vóór het gewapende verzet tegen het voortschrijden van de opheffing van elk recht staatsbestel’.

Misschien is het wel om deze vergaande consequentie dat de Kerk en haar leden terugschrikken om deze stap met Barth mee te zetten. In de tijd dat Barth deze woorden schreef waren er velen die hem hierin niet volgden. Achteraf kunnen we makkelijker vaststellen dat zijn oproep toen wellicht juist was. Dat was één van de redenen waarom Barth voor mij een leidsman werd. Daarom herlas ik in deze tijd opnieuw zijn rede, maar nu werd ik getroffen niet door zijn moedige houding toen, maar door een onverwachte actualiteit. Een actualiteit die dus te maken heeft met onze politieke situatie, waardoor de stap die hij toen zette, ons opnieuw uitdaagt.

Om zijn betoog kracht bij te zetten verwijst Barth verschillende keren naar de Islam. Zonder terughoudendheid vergelijkt hij de Islam met het nationaal-socialisme. ‘Men kan het nationaal-socialisme niet begrijpen, als men het inderdaad niet als een nieuwen Islam, zijn Mythos als een nieuwen Allah en Hitler als diens profeet ziet’. Zoals indertijd ‘om de “vernieling van het bolwerk van den valschen profeet Mohammed” gebeden heeft’, zo met de kerk nu bidden om de verzwakking en afschaffing van het nationaal-socialisme’. Net als ten tijde van Luther staat Europa weer voor het ‘Turksche gevaar’.

Ik wreef mijn ogen uit toen ik deze zinnen las. Het was alsof ik Wilders hoorde. Dat kan toch niet waar zijn. Waarom doet Barth dit? Voor het betoog was het niet nodig. Ook zonder dit voorbeeld was het krachtig genoeg. Toch staat het er. Hoe kan dat?  Ik zie twee mogelijkheden.

De eerste is de meest eenvoudige. Barth laat zich hier mee slepen door een toen gangbare, maar nu achterhaalde opvatting van de Islam. We weten nu wel beter. Hij als Europeaan die van de Islam alleen van horen zeggen weet, bevestigt een vooroordeel, dat door de feiten achterhaald is. De onkritische Barth moet op dit punt gecorrigeerd worden. De koppeling tussen Islam en nationaal-socialisme is ongeoorloofd en dient verworpen te worden.

De tweede mogelijkheid maakt het ons een stuk lastiger. In zijn schets van de nationaal-socialistische ideologie wijst hij het anti-semitisme aan als het kenmerk daarvan aan. Om die reden moet er een vastbesloten neen klinken tegen de geest en de Godheid die zich in deze ideologie melden. In dit verband verwijs ik naar het boek van Hans Jansen: ‘Van Jodenhaat naar zelfmoordterrorisme. Islamisering van het Europese antisemitisme in het Midden-Oosten’. Ook als we letten op Islamitische staatsvormen kunnen we zaken herkennen die Barth als tekenen van de opheffing van de rechtstaat noemt: vrijheid, recht en verantwoordelijkheid. In ons midden trekken salafistisch geïnspireerde jongeren weg om in Syrië te strijden voor een nieuw kalifaat. Ik stip slechts aan. Het kan dus ook zijn dat deze vergelijking van Barth enige grond heeft. Als dat zo is, krijgt zijn rede voor de Kerk een ongekende actualiteit in de huidige politieke situatie. Om het toe te spitsen: betekent dat dan dat elke soldaat die in Afghanistan tegen de Taliban strijdt dat ook doet voor de Kerk van Christus?

At Polhuis

 

(In de Waagschaal, 42e nieuwe jaargang nr. 7. 22 juni 2013)