Synagoge – of toch maar Israël?

In de epiloog van zijn boek “Sta op en wandel”, stelt Wouter Klouwen zich een vraag, die de moeite waard is. Had het in zijn boek ook niet uitdrukkelijk om Israël moeten gaan? (173) Niet dat Israël in zijn boek niet voorgekomen is. Klouwen weet dat als er over God gesproken wordt in NT en in de gemeente het altijd over de God van Israël gaat. Dat klinkt ook in zijn boek door. De vraag die hij tot slot stelt, gaat dieper. Had Israël niet structuur bepalend moeten zijn?

Om het met de woorden van Klouwen zelf te zeggen: “Hoe hebben we dan consequent over de gemeente kunnen spreken als over de gemeente van Christus zonder ons er ook maar rekenschap van te geven dat de God van Israël toch vooreerst (!) zijn volk, zijn eersteling Israël te midden van de volkeren uitverkoren heeft”(174). In die zin gaat het om het woordje ‘vooreerst’. Wie dat laat gelden, laat de structuur van zijn theologische denken door Gods verkiezing van Israël bepalen. Dat heeft nog al gevolgen. Dat heeft de theologiegeschiedenis in met name Nederland na WOII wel bewezen. Spreken over Christus zonder deze verkiezing van Israël, leidt op den duur tot heidendom. Dan hebben we het niet meer over JHWH, maar over goden die dan ongemerkt op zijn/haar plaats zijn gaan zitten. Op dit punt luistert het nauw. Daarom is de vraag die Klouwen zich zelf stelt, ook interessant. Waarom stelt hij zichzelf deze vraag eigenlijk? Voelt hij nattigheid? Weet hij wel dat hij op dit punt scherper had moeten opletten? Alle reden dus om nog eens goed naar zijn antwoord op zijn zelf opgeroepen vraag te kijken.

ecclesia

Het antwoord dat Klouwen op zijn vraag geeft, is duidelijk. Hij wilde alle accent leggen op de beschrijving, op het leven van de ecclesia, haar roeping, haar antwoord op het Woord. Die beschrijving zou vertroebeld worden door aandacht te schenken aan “voorhanden grootheden als kerk en Israël”(174). Waarom dat zo is, wordt onder woorden gebracht in wat voor mij de kernzin in zijn betoog in deze is. “Wat is de kerk? Een instituut? Aanwijsbaar? Verborgen? En wat is Israël? Volk? Land? Staat?”(174) Wat betekenen al die woorden, verzucht Klouwen. Daar heeft hij gelijk in. Dat is buitengewoon ingewikkeld en met vele vragen omgeven. Dat is evenwel nog geen argument die vragen even buiten haakjes te zetten. Het effect daarvan is groot. Dat blijkt ook wel uit zijn vervolg. Hij wil liever spreken over de ecclesia en de synagoge. Dat zijn voor hem betere woorden dan de woorden Kerk en Israël. De ecclesia is daar waar de gemeente zich verzamelt rond de geopende Schrift, zo is ook de synagoge daar waar het volk Israël zich verzamelt rond de geopende Schrift. Dat kan dus overal zijn. Over de ecclesia en synagoge kan gesproken worden ‘in alle openheid, zonder institutionele beperkingen en begrenzingen van gezindte”(175). Nogmaals, het klinkt mooi, maar kan het theologisch zo? Ik denk het niet.

concrete geschiedenis

Klouwen sluit zijn betoog af met nog eens te benadrukken waarom hij zo veel moeite heeft om zonder meer over God te spreken. Niet voor niets plaatst hij consequent dat woordje, telkens als hij het over de God van Israël heeft, tussen haakjes. Ik ben het hardgrondig met hem eens. We praten niet over God in het algemeen, maar we praten over een ‘God’, die zich bekend maakt in de concrete geschiedenis van zijn Naam. Zoals Klouwen schrijft: “Hij heeft zich bekend gemaakt als Bevrijder, als Bondgenoot, als JHWH, als Jezus Christus, ja als bondgenoot tegen de goden en tegen alles wat als god over de mens heerst en de mens kleineren wil!”(176). Een prachtige zin, maar mijn probleem er mee, schuilt in de nevenschikking van de openbaringswijzen van deze God. Zeker Hij heeft zich bekend gemaakt als Bevrijder, zeker ook als Bondgenoot enz., maar dat alles toch in de concrete geschiedenis van zijn daden. Die concrete geschiedenis is opgetekend in het Oude Testament en wordt concreet in de geschiedenis van zijn uitverkoren volk Israël. Zo concreet is het. In een volk, in een volk dat gehoorzaam en veelal ongehoorzaam is, dat weerspanning is, dat natie wordt, een koning wil hebben. In die geschiedenis speelt ook de synagoge een rol, maar het is niet voor niets dat dat begrip in het hele OT niet voorkomt. Het gaat daarin niet om de synagoge, om de om de Schrift verzamelde gemeente. Het gaat daarin om een concreet volk met alle hebbelijkheden en onhebbelijkheden van dien. Hij verkiest het om zijn grote daden in dit volk openbaar te maken. Dat hoort structuurbepalend voorop te gaan. Wanneer dat niet gebeurt, krijgt het spreken over de ecclesia en synagoge iets ijls en ongrijpbaars. Hebben we het dan nog wel echt, ondanks alle mooie woorden, over de ‘God’ van Israël?

Jezus

In zijn opsomming noemt Klouwen ook Jezus en terecht. Als er één plaats is waar deze ‘God’ concrete geschiedenis maakt, dan is het in dit ene mensenkind. Toch wil dat niet zeggen dat we aan Jezus genoeg hebben en met Hem wel kunnen beginnen. Als niet gehonoreerd wordt, dat in Hem de hele concrete geschiedenis van ‘God’ met zijn volk Israël is samengebald, wordt het spreken over Jezus vals. Hij is niet te begrijpen zonder deze concrete geschiedenis. Hij is de kern van die geschiedenis. Deze kern leidt tot deze geschiedenis, zoals deze geschiedenis je tot deze kern leidt. Wie over Jezus Christus spreekt, kan dan ook niet om Israël heen. Dat is iets anders dan de synagoge. Dan gaat het om Israël zoals dat concreet bestaat, land, volk, staat. Wie dat loslaat, doet iets met het getuigenis van de ‘God’ van Israël. De ecclesia (om dat woord toch maar even te gebruiken) die zich rond de geopende Schrift schaart, krijgt of ze dat nu prettig vindt of niet, met het concrete Israël te maken. Paulus waarschuwt ons er al voor. Denk niet dat je nu van Israël af bent. De ‘God’ van Israël blijft zijn volk trouw.

Onopgeefbaar verbonden

Nu begrijp ik de aarzeling van Klouwen wel. Het probleem zit vooral in de staat Israël. Die roept vele vragen op. Dat verdeelt ons als christenen. Dat is niet prettig. Wat moeten we met zo’n uitspraak in de kerkorde dat we onopgeefbaar verbonden zijn met Israël. Toch niet met de staat, wiens handelen we hartgrondig afwijzen? Tegelijk is dat de reden dat ik met Kouwen het gesprek zoek. Ik vrees dat zijn reductie van Kerk en Israël tot ecclesia en synagoge een forse stap in de richting is om de in de kerkorde geformuleerde onopgeefbare verbondenheid op te geven, of in ieder geval op losse schroeven te zetten. Dat lijkt mij een verkeerde weg. Niet omdat ik sympathie zou hebben voor de handelwijze van de staat Israël, maar omdat mijn theologische geweten er zich tegen verzet.

Eerst nog wat anders. Van Rene Süss leerde ik dat anti semitisme altijd begint bij de ontzieling van de Jood. Hij formuleert niet zelf wie hij is, zijn wezen, ziel wordt geformuleerd door anderen. Hij wordt volledig door ons als Jood geaccepteerd als hij zich in de synagoge rond de Schriften verzamelt. Dat kan overal zijn. Anders wordt het wanneer hij zelf als behorend bij zijn wezen ook de staat Israël noemt. Dan wordt hij voor ons plotseling een lastige Jood. Die verbondenheid met de staat is overigens niet een verschijnsel van na de WOII, maar altijd in de buurt waar Joden zijn. Daarom is de staat Israël niet van de Jood te scheiden, ook niet van de Jood, die in de synagoge komt.

De staat Israël in zijn concrete geschiedenis hoort dus voor mij bij de Jood, waarover wij ook theologisch behoren te spreken. Israël is geen abstractum, maar concreet in volk, land en staat.

Als ik dat zeg, weet ik dat dat enorme moeilijkheden met zich meebrengt. Want wat moeten wij er mee. Dan komen we er als theologen niet als we een scheiding maken tussen het bijbelse Israël en het concrete Israël. Waar dat gebeurt, moet Süss gehoord worden. Wat moeten we dan als theologen met Israël? Dat is een vraag die voortdurend in de theologie door de eeuwen heen klinkt. Israël in de concrete geschiedenis van zijn daden blijft voor ons als heidenen een probleem, dat we telkens oplossen willen, maar niet oplossen kunnen, ook al denken we regelmatig dat we dat doen.

Israëls ‘God’ is niet opgehouden met Israël, ook niet toen dat volk om een staat vroeg en ook niet nu die staat in onze ogen vreselijke dingen doet. Dat is geen reden de verbondenheid op te geven. Die onopgeefbare verbondenheid heeft immers niets met schuldgevoel van de WOII, of met (politieke) sympathie voor Israël te maken. Die onopgeefbare verbondenheid is ons als kerk en christenen opgelegd door de ‘God’ van Israël. Zonder deze verbondenheid kan er eigenlijk niet goed van kerk en christelijk geloof gesproken worden.

Betekent dat dat we daarmee alles moeten goedpraten wat de staat doet. Met alle respect dat is onzin. Deze staat doet dingen die vreselijk zijn in onze ogen. Dat kan en moet ook gewoon gezegd worden, als de onopgeefbare verbondenheid maar de ondertoon van de kritiek blijft. Dat betekent, dat we er als Christelijke gelovigen rekening mee houden dat nog altijd, ook (en dus niet uitsluitend) in de geschiedenis van deze staat, Gods daden zichtbaar kunnen worden in een concrete geschiedenis.

In het Oude Testament leren we hoezeer die geschiedenis van Gods daden voor Israël een oordeel betekent. In het Nieuwe Testament leren we dat dit oordeel ons allen aangaat en dat dit oordeel door God zelf gedragen wordt. Wie zo geleerd, naar de huidige geschiedenis kijkt, zou in wat er met Israël gebeurt opnieuw een voltrekken van dat oordeel kunnen zien. Wie op eigen kracht vertrouwt, redt het niet. Als dat zo is, dan dient men zich wel als gelovige te bedenken, dat dat oordeel ook ons treft. Uit deze ons opgelegde onopgeefbare verbondenheid met Israël kunnen wij niet weglopen. Dan dienen we in solidariteit het oordeel te ondergaan: het oordeel ook over onze pogingen op eigen kracht te vertrouwen. Israël is en blijft hier pars pro toto. Die verbondenheid kunnen we opbrengen, ook al verliezen we het voor de oog van de wereld, omdat we weten dat deze ‘God’ Israël en ook ons niet laat vallen. Zijn werk zal Hij volbrengen.

Uitdaging

Met aarzeling heb ik de bovenstaande zinnen geschreven. De inzet van Klouwen, die een mij aansprekend boek schreef, daagde mij er toe uit. Het is een poging en in die poging een uitdaging aan Klouwen om niet alleen politiek, maar vooral als theoloog over het concrete Israël te spreken. Dat gebeurt veel te weinig omdat het politieke spreken ons in de weg zit. Ik bespeur dat ook bij Klouwen. Het gevolg daarvan is wel dat het concrete spreken over Kerk en Israël vervaagt en tijdloos wordt. Dat wil hij noch ik.

(In de Waagschaal, nw jaargang 40, nr. 15. 29 oktober 2011)